'Wij laden nu suiker en tabak en ook enige zwarte negers'

In The National Archives in Londen liggen duizenden Nederlandse brieven uit de 17de en 18de eeuw. Ze zijn geschreven uit Nederland naar verre gewesten en terug, en werden ooit buitgemaakt door Engelse kapers.

Roelof van Gelder deed in opdracht van de Koninklijke Bibliotheek onderzoek naar deze vergeten post en selecteert elke maand een brief voor M.

Villanova in El Condado, 26 januari 1666

Looft God boven al, die mij naar ik hoop altijd geleiden zal. Een vriendelijke groet zij geschreven aan mijn allerliefste, beminde vrouw Maria Adams Oosterwijk. Ik laat u weten, dat ik God dank de Heer nog kloek en gezond ben, zoals ik ook hoop dat het met u ook zo is en met onze kinderen eveneens. Mocht het anders zijn, het zou mij erg van harte verdriet doen om dat te horen. Dat weet God, die een herder der harten is, hoewel ik thuis door mijn driftigheid zo nu en dan wel eens ruzie maak. Maar ik hoop dat God het mij zal vergeven en gij evenzo. Want ik heb u zo lief als mijn eigen hart. Maar ik wenste wel dat ik weer bij jou was, dan kwam ik in dit vaarwater niet zo gauw weer terug. Maar ik hoop dat de almachtige God onze leidsman zal wezen, dan zal het ons zalig zijn, want ik vaar recht voort met nogal wat gevaar en dat voor zo'n klein maandgeld. Voor deze reis hebt gij mij van een reis afgehouden die zo gevaarlijk niet was en waarbij het maandgeld haast driemaal zo ho! og was. Maar de liefde die gij voor mij voelt was toen ook wat groter, die gij voor mij had als nu. Maar daarom niettemin. Maar bid God, dat, als ik het goed doe, hij ons beiden te samen kloek en gezond weer bij elkaar zal laten komen, zo het zijn goddelijke wil en ons zalig is.

Verder zal ik jou van onze reis wat schrijven. Wij bennen met veel stormen en zwaar weer achterom gevaren [d.w.z. om Schotland heen] en hebben ook enkele dagen op Gods genade zonder zeil moeten drijven. En in dat kwade weer is mijn rok [lange overjas] overboord geraakt, hetgeen wel wat aan mij knaagt. Maar beter de rok dan ikzelf. En als dat al het ongeluk van de reis is, dan is het nog wel te overkomen. Wij bennen daar de tweede december zonder hinder te Lissabon gekomen. Dat betekent net een maand onderweg geweest, God almachtig zij gedankt voor de goede [??] vaart.

Wij laden nu suiker en tabak en ook enige zwarte negers en negerinnen. Dat zijn slaven om naar Kalis Malis [d.w.z. Cadiz] in Spanje te gaan. En daar worden zij weer verkocht. Wij zijn de 18de januari uit de rivier van Lissabon onder zeil gegaan. Ik hoop God zal onze leidsman zijn. Wij zijn de derde dag gekomen voor een plaats genaamd Faro, ofwel Kaap Maria. Daar kregen wij dertien schepen in het zicht waarvan wij vast en zeker meenden dat het allemaal Turken waren. Wij zouden hen recht in de handen zijn komen lopen. Maar het heeft God nog niet beliefd. Want zij lagen onder de wal en juist toen zij ons in het zicht kregen, geiden zij dadelijk al hun zeilen dicht [kortten ze hun zeilen in], opdat wij hen zo bijna niet zouden kunnen zien. En dat is niet zoals Christenen dat doen. Wij waren al dicht langs het land gevaren, maar hielden goed oog in het zeil en het liep al tegen de avond. Als het wat later was geweest, dan zouden wij bij hen zijn geweest eer wij ze hadden gezie! n. Wij vluchtten weer terug, ongeveer acht tot tien mijlen, want zo zegt men gemeenlijk 'er is geen schelm te vertrouwen'. En wij weten al dat die honden zich hier veel ophouden. Wij liepen binnen te Villanova [Portimão] in de Kondaet [dwz El Condado, het zuidwestelijke deel van Andalusië]. Want zegt men gemeenlijk: 'beter een goed respijt, dan verkeerde haastigheid'.

Wij moeten een zuidelijke wind waarnemen, het is nu snel gezeild, als het God gelieft, want het is nog 30 tot 32 mijl, maar het moet evenwel toch gezeild worden. Maar komen we eenmaal te Cadiz, zo het God gelieft, dan weet ik niet zeker of ik op het schip zal blijven. Als ik er maar van af kon komen. Want men zegt dat wij van Cadiz vermoedlijk weer naar Gallicië zouden gaan en vandaar dan weer naar Lissabon. Maar ik ben niet van zins hier in de zomer te liggen zwerven waar duizend gevaren zijn. Want men zegt 'eens betaalt het al'. Maar nu nog even over die schepen bij Kaap Maria waarvoor wij weer omkeerden, die wij voor Turken aanzagen. Dat waren allemaal Engelsen, want zo gauw als wij te Villanova binnengekomen waren, zo stuurden wij als eerste een Portugees over land naar Faro om zeker te weten wat dat voor schepen geweest waren. De derde dag bracht hij tijding dat het Engelsen waren geweest. En behalve die waren daar nog vijf Turken, zodat wij nog door behoorlijk ! wat gevaar moeten dansen eer wij nog in Spanje komen. Maar die God bewaart is goed bewaard. Want wij moeten de zaak God in handen geven en ik hoop dat hij ons altijd bewaren zal.

Maar maak er niet een te groot probleem van en doe [??] als ik, beveel de zaak aan God almachtig. En bid hem dat hij beiden tezamen, mij en jou, in gezondheid weer bij elkaar laat komen. Zo het zijn goddelijke wil is, zou ik zelf met dit galjoot - waar ik deze brief meestuur en waar Jaap de Boer schipper op is -, van kapitein Punt, zelf wel thuis gekomen zijn, maar ik schroom om in het hartje van de winter thuis te komen en ik [denk] dat er ook niet veel [werk] te doen is.

Verder is mijn schrijven zoveel als de groeten aan mijn moeder en zusters en jouw broer en zusters en mijn zwagers. Maar bovenal zeg van mij onze Lientje duizend maal goede nacht en voorts zegt van mij al onze goede buren goede nacht. Nou wil ik u, mijn allerliefste beminde vrouw, de zegen des Heren toewensen en dat hij jou altijd behoedt voor enig kwaad dat jou zou mogen schaden. Dat God jou voorwijl bewaren mag - als jouw tijd vervuld is - en van een gezonde vrucht zal verlossen. Maar ik wenste wel dat het met u niet zo gesteld was, maar het schijnt of Gods wil moet bemind zijn. Maar ik hoop nog zelf thuis te zijn, eer ge in de kraam komt zo het God belieft en mij zalig is.

Verder niets anders dan dat ik u mijn allerliefste beminde vriendin en kinderen duizend maal goede nacht wens. Blijft hier met de heer en houd hem ook altijd voor ogen. Amen.

Door mij Lammert Jansen Vermeij, uw man, trouw tot in de dood. Deze brief heb ik geschreven de 26ste januari 1666, te Villanova in de Kondaet, beste vriend, met grote haast.

    • Roelof van Gelder