Suzaku Endo en de rampzalige hond als metgezel

In de serie over schrijvers, filmers en denkers die hem inspireren, schrijft Willem Jan Otten deze maand over de katholieke Japanse romanschrijver Suzaku Endo.

Maakt het uit dat de held van deze maand niet lang voor hij zijn eerste meesterwerk schreef een zware operatie had ondergaan?

Zijn kansen waren gering, de helft van zijn longen was weggehaald. Bovendien was hij ontzettend bang voor pijn. En over pijn en doodsangst ging vervolgens de roman Stilte.

Het boek speelt zich af in het begin van de euro; 17de eeuw en gaat over een Portugese priester, Rodrigo, die naar Japan reist om daar zijn leermeester Ferreira te zoeken; het gerucht gaat dat die is gefolterd en van zijn geloof gevallen.

Wonderlijke manier voor een Japanner om over Japan te schrijven. Shusaku Endo (1923-1999) laat de afvallige priester beweren dat de Japanse mentaliteit ongeschikt is voor het geloof in een persoonlijke God. Toch lukt het Endo zich diep in de jonge Rodrigo in te leven, die een sterk ontwikkeld innerlijk gesprek voert met de persoon van Jezus.

Endo behoort, met Graham Greene en Gerard Reve, tot de zeldzame naoorlogse romanschrijvers die van binnen uit een gelovend bewustzijn hebben gevangen. En Endo's Rodrigo tracht zich, op zijn beurt, in te leven in de Japanse bekeerlingen. Zij worden genadeloos vervolgd, net als hij, zodra hij in Japan voet aan wal gezet heeft.

Het draait bij Endo om mensen van wie je als lezer eigenlijk niet begrijpt waarom ze zich vastklampen aan hun overtuiging. Wat moet Rodrigo als hij beseft dat zijn volgelingen niet meer gemarteld zullen worden zodra hij zijn geloof hardop verzaakt? Hij hoeft alleen maar met zijn blote voeten op een beeltenis van Christus te gaan staan, de z.g. fumi-e, net als zijn leermeester Ferreira vijftien jaar eerder heeft gedaan, en het is gepiept. Wat belangrijker is: zijn volgelingen zullen vrijuit gaan, en niet langer omgekeerd worden opgehangen in een put vol faecaliën tot de dood er op volgt.

Rodrigo's besef van overbodigheid is totaal.

En Endo's angst voor fysiek lijden is autobiografisch, dat voel je, het is volstrekt duidelijk dat hij in het ziekenhuis gekweld werd door dezelfde vraag als in het boek: zou ik mijn geloof behouden als ik wist dat mijn lijden zou ophouden zodra ik mijn geloof loochende?

Minderheid

Endo behoorde tot de zeer kleine minderheid van Japanse katholieken, aanvankelijk met diepe tegenzin, omdat hij nu eenmaal gedoopt was. Hij beantwoordde zijn vraag door Stilte te schrijven, in plaats van zoals zijn generatiegenoten overal in het westen, van zijn geloof te vallen.

Ik moet bekennen dat ik, toen ik twaalf jaar geleden Endo begon te lezen op aanraden van Bas Heijne, Stilte ongeopend in mijn kast heb geschoven. Ik was net aan het ontdekken hoe vreemd het eraan toeging in het christendom, met zijn offer, zijn lijden en vooral: zijn bange discipelen. Ik was niet toe aan de verinwendiging van wat aanvankelijk alleen een 'interessant cultureel fenomeen' leek, dat je als kunstenaar nu eenmaal moet kennen, wil je je een intellectueel mogen noemen. Toch durfde ik Stilte niet te lezen. Dat je ergens in zou geloven, dat wilde ik zielsgraag, zonder te weten wat dat betekende. Maar over een verbeelding van de gewelddadige consequenties lezen, daar deinsde ik voor terug. Heijne had me gezegd dat het 'het meest aangrijpende boek over lafheid' was dat hij kende. 'En over schuld', voegde hij daar aan toe.

Wat 'schuld' was wist ik ook nog niet echt. Schuld in religieus-christelijke zin.

Endo vraagt zich, met Rodrigo, af wat geloof nu helemaal betekent, als je weet dat je zult loochenen zodra je de beul maar ziet. Het gesprek in de gevangenis tussen de ontgoochelde Ferreira en doodsbange Rodrigo kan op één lijn geplaatst worden met Dostojevski's gesprek van de Groot-inquisiteur met Christus (in De broers Karamazov), en ik weet in de literatuur geen lijn die hoger is.

Er is niets menselijkers dan Rodrigo's angst, en bereidheid om te loochenen. Tegelijkertijd weet je dat er niets droeviger is.

Endo ontveinst niet dat Rodrigo een loochenaar is, een verrader, een schuldige. Maar hij zegt, of beter: hij maakt besefbaar, dat Christus exact daar is, waar Rodrigo op zijn kapotst is, wankelend boven de fumi-e. Als iemand onder druk van het lijden breekt, is hij dan alles kwijt, alles wat hem toch zo lief heeft kunnen zijn, zijn geloof dat er een God is die van hem houdt? Houdt Christus dan niet meer van je?

Muizenissen

In de meeste romans en verhalen van Endo worden mensen overigens helemaal niet door sadistische geloofshaters vervolgd. Ze zijn normale, onaanzienlijke, zich snel schamende twintigste-eeuwers, die met deernis voor hun eenzaamheid geschetst worden. Ze zijn bang - voor het gewoonste wat een mens maar kan overkomen. De gedachte aan je moeder met wie je een ruzie had ten tijde van haar dood, waardoor ze, toen ze stierf, zielsalleen was.

Of: voor de herinnering aan een longoperatie, tijdens welke een huisdier is verkommerd.

Door zulke armzalige gedachten worden de Endo-mensen gefolterd, en wat ligt er meer voor de hand dan te zeggen: vergeet die muizenissen toch.

Endo schreef in een samenleving die sinds de jaren vijftig geniaal was in vergetelheid, in het verzinnen van manieren om niet te denken aan de medeplichtigheid aan massamoorden, in het creëren van verslavende uitdagingen. Toch bleef hij maar losers bedenken die zeiden dat 'het' hun schuld was. Wat bedoelen ze daar toch mee?

We weten allemaal wat Endo bedoelt, en toch is de wijze waarop hij het schuldbesef verbeeldt mysterieus. Neem de verteller van Mothers, in mijn ogen een van zijn mooiste verhalen (uit Stained Glass Elegies). Hij is degene die de herinnering ophaalt aan zijn moeder die is gestorven tijdens een ruzie. De reden daarvoor was haar katholicisme. De zoon was dat steeds weerzinwekkender gaan vinden, iets 'uit een verleden dat niets met het onze te maken had'. De moeder wordt in het verhaal niet gespaard - haar wijze van geloven is star en vooral angstig. Toen ik dit verhaal voor het eerst las, besefte ik hoe anders Endo te werk gaat dan al zijn tijdgenoten (zijn bewonderaar Graham Greene uitgezonderd). Endo beschouwt het schuldgevoel van zijn verteller niet als dat wat opgelost moet worden, of verklaard. Hij zegt niet: o, wat erg dat mijn moeder dood ging toen ik met mijn vriendje porno aan het kijken was. Het gaat hem niet om spijt - waar het in Hollywoodfilms om draait. Niet da! t hij geen mededogen met de eenzame moeder heeft. Maar waar het om draait is dat het lijden van de moeder, en haar dood, zin gehad moet hebben.

Het gruwelijke misverstand wat nu ontstaat is dat de lezer kan denken dat Endo goedpraat dat zijn moeder in eenzaamheid, vervreemd van haar enig kind, verstikt van de zorgen over zijn uithuizigheid, is gecrepeerd. Alsof het allemaal een soort goddelijk plan is, om ons te doen weten dat lijden 'ergens goed voor is'.

Endo pretendeert helemaal niet te weten waarom deze moeder geleden heeft. Als er één schrijver is die weigert op de stoel van God te gaan zitten (daar waar bijvoorbeeld Mulisch en Hermans zo graag zaten), dan is hij het. Toch is zijn pretentie aanstootgevend: de moeder wordt voorgesteld als iemand die van hem gehouden heeft. Zij hield van hem, op het moment dat hij haar haatte.

Deze toedichting van een mateloze liefde is niet gebaseerd op realiteit. Als een ander Endo-personage dezelfde liefde toekent aan de vogel die tijdens zijn operatie sterft, dan vraagt hij zich op eenzelfde wijze af of de vogel 'voor mij gestorven is, in mijn plaats'. Terwijl het zijn schuld is dat het dier de pijp uit is gegaan!

Felix culpa heeft Augustinus dat genoemd, gelukkige schuld. We zijn mensen, we schieten tekort, door in de allereerste plaats nooit echt in de liefde te geloven, die we dan ook onophoudelijk verraden - en toch kunnen we vaak pas nadat we ons tekort beseft hebben, de liefde die ons geschonken is ervaren. Het is met deze ervaring als met poëzie: zij is er alleen wanneer zij wordt ondergaan.

Ontvankelijkheid

De verhalen en romans van Endo gaan over ontvankelijkheid. Wat hij wil vertellen gaat terug op wat er in het evangelie met Petrus gebeurt als hij Jezus, van wie hij zielsveel gehouden heeft, vlak voor het hanengekraai verraadt: pas dan beseft hij hoeveel er van hém gehouden is. In het christendom heet deze ontvankelijkheid 'genade'.

In een mooi essay van Peter Yancey kwam ik dit citaat tegen, uit Endo's Life of Jesus: 'Volgens mij leeft er ergens in het hart van mensen een verlangen naar iemand die je hele leven bij je blijft, iemand die je nooit verraadt, nooit in de steek laat - al is het maar een zieke schurftige hond. Die man werd ter wille van de mensheid zo'n rampzalige hond.'

In Diepe rivier, Endo's testamentaire laatste werk, noemt iemand 'die man' overigens de Ui, om het sleetse 'Christus' te vermijden. De Ui komt niet alleen in zijn historische gestalte bij Endo voor, maar als verpleger met hondenkop, als sprekende vogel, als moeder van de schrijver, als jonge vrouw die denkt dat zij lepra heeft, als lepralijder tijdens een potje honkbal...

Het is om deze levenslange rij van armzalige Christus-gestalten die door dit oeuvre wandelt, dat Endo herinnerd zal worden als een der zeer groten, vergelijkbaar met Dante of Dostojevski. Hij heeft de grootste uitdaging van de tweede helft van zijn eeuw geformuleerd, en is die vervolgens aangegaan: literatuur en God weer bij elkaar denken en schrijven. Hij heeft iets zeldzaams en verontrustends op zijn longoperatie veroverd: een schrijverschap waar je in kunt geloven.

Drie romans van Endo zijn eind jaren '90 in Nederland verschenen: Stilte ('66), Het schandaal ('86) en Diepe rivier ('90). Stilte wordt momenteel verfilmd door Martin Scorcese. Endo's werk is in Engelse vertalingen verschenen bij Sceptre, en Peter Owen. In het Duits bij Herder. Speciaal heel prachtig zijn de verhalenbundels Stained Glass Elegies en The final martyrs. Het boek van Peter Yancey heet: Hoe mijn geloof de kerk overleefde (uitg. Kok).

De vorige helden in Ottens serie waren: Blaise Pascal, Jorge Luis Borges, René Girard, Fjodor Dostojevski, Robert Bresson, Czeslaw Milosz, Joost van den Vondel, C.S. Lewis en Andrej Tarkovski.