Luchtstaanplaatsen

Aanstaande maandag, 1 mei, is het 25 jaar geleden dat de 'frequent-flyer' werd geboren, de toen modernste mens die een groot deel van zijn leven in de lucht moest doorbrengen. Ook toen al waren er maatschappijen die onder de markt werkten. De People Express bijvoorbeeld bracht je voor negentig dollar in een Boeing 747 van Zaventem bij Brussel naar Newark, en dan was het met de bus nog een drie kwartier naar New York. Enkele reis, dat wel. Je moest zelf je broodjes meenemen, het water aan boord was gratis, en onderweg kwam de conductrice langs om je het kaartje te verkopen. Goeie ouwe tijd. Bij de officiële maatschappijen moest je een groot veelvoud betalen. Daarvoor kreeg je dan een bord warm eten en een kwart flesje wijn. Een rekensommetje leerde je dat dit kippenboutje een paar honderd dollar kostte. Bij de prijsbrekers liep het storm.

American Airlines was de eerste maatschappij die terug sloeg. Wie vaak vloog, werd frequent-flyer, verdiende daarmee airmiles waarmee allerlei onweerstaanbare voordelen in het verschiet kwamen: een bevordering tot de business class, een gratis ticket, toegang tot de wachtruimte voor de VIPs, een plastic bewijsje dat je f.-f. was, meer van die dingen waar je geen nee tegen kon zeggen. Deze manier van klantenbinding had succes. Nu hebben alle grote maatschappijen zo'n programma. Trouw als een hond blijf ik met de KLM vliegen, ik weet niet hoeveel miles heb ik gespaard, de post brengt steeds verleidelijker glanzende folders, maar al jaren heb ik de business class niet meer van binnen gezien. Ik hoor het van meer mensen. Het succes van de airmiles heeft zichzelf verslagen.

Gebrek aan passagiers is er niet meer. In de G.o.t. mocht een maatschappij al van geluk spreken als regelmatig tweederde van de stoelen bezet was. Voor het economy-proletariaat had dit zijn voordelen. Meteen nadat het vliegtuig voor het vertrek was afgegrendeld, rende je naar een lege rij in het midden van de cabine en als je bofte - wat niet zelden het geval was - kon je daar de hele vlucht uitgestrekt liggen, even comfortabel als in je eigen bed, en tegen de tijd van de landing stapte je verkwikt weer uit de veren.

Hoe anders is het nu. De vertrekruimte staat stampvol met passagiers die allemaal een koffertje op wieltjes bij zich hebben en allemaal het eerst naar binnen willen. Die mensen kunnen er niet allemaal in, denk ik bezorgd, telkens weer. Bovendien zijn er steeds meer buitengewoon dikke exemplaren bij. Maar opnieuw is het vliegtuig groot genoeg. Dat is al een wonder op zichzelf, want het aantal vetzakken neemt misschien wel dagelijks toe, terwijl de ruimte die iedere luchtreiziger persoonlijk krijgt toegemeten, gestaag afneemt. Graag zou ik willen weten hoeveel ruimte een passagier in een oude 747 had, en hoeveel nu in een Boeing 777. Uitgedrukt in kubieke decimeters. Sinds het aantal aderverstoppingen in de lucht is toegenomen - waarvoor de maatschappijen de verantwoordelijkheid vrezen - krijgen we het advies, op of in de stoel lichamelijke oefeningen te doen. Probeer het terwijl de passagier voor je zijn rugleuning in de verste achteruitstand heeft gezet en je tussen twee mensen van 150 kilo zit ingeklemd.

Na weer een veilige landing heb ik vaak gedacht: ik schrijf er een stukje over. Toch weer niet gedaan, omdat het zo jammerklagerig klinkt. Maar nu zag ik in de International Herald Tribune van 25 april een kop 'Next for air travelers: Standing room only?' Het is zelfs de opening van deze gezaghebbende krant. Hoeveel passagiers kunnen er in de economy class worden geperst? Dat is sinds die klasse werd uitgevonden, de grote vraag voor alle maatschappijen. De stoelen worden kleiner, het materiaal waarvan ze zijn gemaakt wordt dunner en sterker. Dat is al lang een ervaringsfeit. Maar nu heeft de fabrikant Airbus een revolutie in voorbereiding. Sommige Aziatische maatschappijen is voorgesteld, staanplaatsen te creëren. Er staat een plaatje bij. De luchtstaanplaats bestaat uit een hoge rugleuning met halverwege een soort kontplankje, zodat je voeten niet je volle gewicht hoeven te dragen. Nog geen maatschappij heeft van het aanbod gebruik gemaakt, maar dat komt nog wel.

In de G.o.t. kreeg je bij je vervoersbewijs een plattegrond van het type vliegtuig waarmee je je reis ging maken. Ik heb het toen eens goed bekeken, het leek me dat ik het eerder had gezien. 'Waar doet je dit aan denken?', vroeg ik een betrouwbare erudiet. Hij aarzelde geen seconden. 'Een slavenschip', zei hij.

P.S. In mijn vorige stukje heb ik de 'voetpianola' beschreven, een uitvinding van Alfons van Leggelo. Dat instrument zit in de grond, in Battery Park, Manhattan. Verscheidene lezers hebben me erop gewezen dat we er in Amsterdam ook een hebben, aan de noordkant van het Museumplein bij café Cobra. Ik ben gauw gaan kijken. Ja. Er was niemand in de buurt. Ik heb er een dansje op gemaakt. Er kwam wel geluid uit, maar het was geen Vader Jacob. Het zal aan mij liggen.