Kerkensloop

Op een nacht kwam mijn man na een concert met een plank thuis. Het was in de jaren zeventig, hij speelde viool in alternatieve zalen. Soms improviseerde hij met muzikanten zoals Willem Breuker en Loek Dikker, soms speelde hij kamermuziek in tenten die roze zagen van de marihuana. Bij voorkeur speelde hij ironiserend salonmuziek, lang voordat André Rieux dit genre onmogelijk heeft gemaakt. Hij had opgetreden in een van die alternatieve centrums in Amsterdam, de Kosmos, of Sigma, of Fantasio. Met projectie van bewegende olievlekken op de muren en wat van die spots die witte hemden vreemd blauw deden oplichten. Het leukste en gewaagdste was indertijd dat met dat licht witte bh's van meisjes onder hun truitjes door te voorschijn kwamen. In het centrum had op twee kratjes een beschilderde plank gelegen met een voorstelling die hij, Limburger van geboorte, meteen herkende als een Maria Boodschap. Waar ze hem vandaan hadden, had hij gevraagd. Hij was van de afbraak van de Willibrorduskerk geweest, wist een baardige sandalendrager nog. Of ze het niet jammer vonden om op de afbeelding asbakken en bierglazen te zetten. De jongerenleider had zijn schouders opgehaald en demonstratief zijn voeten op de plank gelegd. Hub zag het bladgoud en de tere schouders van de Engel die Maria kwam berichten dat ze zwanger zou worden van de Heiland. Mocht hij hem misschien meenemen? De man was een sigaretje gaan draaien en had gezegd dat hem dat niet kon schelen, als hij er maar een andere plank voor in de plaats legde. Hub was gaan zoeken, in de gang naar de branduitgang hadden tientallen echte planken gestaan, hij had een frisse grenen plank op de kratjes gelegd en zo kwam hij die nacht thuis met vioolkist en een plank. De volgende dag sloeg hij een betonspijker in de muur en hing de Annunciatie op.

De Willibrorduskerk is een van de zes kerken die P.H. Cuypers in Amsterdam gebouwd heeft. Hij stond op de hoek van de Amstel en de Ceintuurbaan, en nog steeds is die plek op de een of andere manier ziek. Het bejaardenhuis dat er nu staat past niet. Het oude grootse silhouet schijnt nog steeds in de lucht te zweven. Toch kan ik me de kerk niet meer herinneren, want toen die in 1971 werd afgebroken studeerde ik nog maar een paar jaar in Amsterdam en studenten hadden in die hoek van de stad niets te zoeken. Hij is gesloopt omdat hij bouwvallig zou zijn. Of dat de werkelijke reden was? In elk geval is van de Amsterdamse Cuypers-kerken er nog maar een als kerk in gebruik, twee andere zijn ook gesloopt. Die plank uit het alternatieve centrum hangt bij mij goed. Ik kijk er 's ochtends wel eens wat langer naar, als het ochtendlicht erover strijkt. Maria heeft een mantel aan van dat mooie blauw waar ook burka's in Pakistan van gemaakt worden, en een hoofddoekje, maar verder oogt ze nogal blank, evenals de engel Gabriël die met de blijde boodschap komt. Waar de plank precies gehangen heeft? Was het een onderdeel van de doopkapel? Hoe dan ook, bij mij is hij veilig, eerst gered van de sloop, daarna van de peuken en de alcohol.

Ik werd met mijn neus op de plank gedrukt afgelopen week toen ik een voormalige katholieke school bezocht waar de kapel omgebouwd was tot een lekkere frisse gymnastiekzaal. Daar is niets mis mee. Er zijn nog maar zo weinig kapellen en kerken nodig in hun oorspronkelijke functie, dat er wel alternatieven bedacht moeten worden. Sloop is wel het laatste waartoe men zou moeten overgaan. Want men sloopt niet alleen een kerk als men het gebouw weghaalt. Tegelijkertijd verdwijnt het aanzien van een hele wijk. Het profiel wordt verstoord, de omringende gebouwen zakken als puddingen in elkaar. In dorpen is de kerk onmisbaar. Het waren vroeger oriëntatiepunten voor de wandelaar die van kerk naar kerk liep en wist hoe lang het nog was als hij de volgende toren boven de bomen uit zag komen. De toren was niet alleen een vorm van machtsvertoon, of een poging tot in de hemel te reiken, het was ook een luxueuze wegwijzer in de tijd dat de ANWB nog geen borden plaatste. Een oud dorp zonder kerk is als een gezicht zonder neus.

Maar feit is dat het kerkbezoek zo is teruggelopen en de overgebleven gelovigen zo weinig geld voor onderhoud bij elkaar brengen, dat de kerkbesturen en bisdommen van hun kerken afmoeten. Ik ben een groot liefhebber van ruïnes, en niets zou mooier zijn dan de kerken gewoon te laten vervallen. Maar daar zijn wel praktische bezwaren tegen. Ik zou toch niet op mijn geweten willen hebben dat spelende kindertjes vermorzeld zouden worden onder een vallende plank in een bouwvallige Cuypers-ruïne, ook al was de kindjes verboden in de kerk te spelen, en waren ze dus ongehoorzaam en dom. Nee, hergebruik dan maar. Ik heb her en der aardige oplossingen gezien. Heel mooi zijn de Amstelkerk en de Vondelkerk in Amsterdam, waar kantoren ingebouwd zijn, en toch de grote ruimte van het schip open is gebleven voor concerten of lezingen. De Vondelkerk kan men ook huren voor een receptie of feest. De Rode Hoed is in stemmig hergebruik als lezingencentrum. Maar ook Paradiso, waar vrijwel niets meer herinnert aan de oude kerk, is optimaal in functie. De decibellen van het oude orgel staan gelijk aan de decibellen van de tegenwoordige geluidsboxen.

Het Bisdom Den Bosch zou Paradiso echter slopen, en de Vondelkerk vanwege de recepties misschien ook wel. Ik las een notitie van het Bisdom over 'buitengebruikstelling' van kerken. Natuurlijk heeft Brabant te veel kerken voor te weinig gelovigen. De economisch-directeur van het bisdom is daar heel eenvoudig in. Er zijn nogal wat herbestemmingen die de identiteit van een kerkgebouw aantasten. Amoveren, oftewel slopen, heeft daarom de voorkeur.' Daar gaan we. Er is een eeuwenoud instituut, dat sinds eeuwen centjes, zuurverdiende centjes heeft gekregen van arme zielen, die van de tien aardappelen die ze uit de grond woelden er een naar de pastoor brachten en dan ook nog een halve stuiver in de collectebus stopten 's zondags. Dat instituut is rijk geworden van de arme zielen en van een paar welvarende zielen. Daarvan heeft het mooie kerken gebouwd, op pronte plekken, ze zijn voor een appel en een ei gebouwd door de plaatselijke aannemer en beschilderd door de plaatselijke kunstenaar, de vrouwen hebben zich kromgeborduurd op de gewaden voor de priester en op het linnen dat over de communiebanken en het altaar moest. De kerken zijn geestelijk eigendom van de nazaten van de zielen die ervoor gespaard hebben. Mag een economisch-directeur dan zeggen dat het beleid erop gericht moet zijn kerkgebouwen te amoveren? Ik huiver van het woord. Wie had er ook alweer zo'n mooi woord bedacht voor uitroeien?

    • Marita Mathijsen