Iedereen zijn eigen shari'a

Islam-kenner Maurits Berger onderzocht voor de WRR het islamitisch activisme. In het Midden-Oosten geldt de Islam als een fatsoenlijk alternatief. Dirk Vlasblom

Den Haag:28.4.6 Hr. Maurits Berger, islam-kenner. © foto/Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

'Al die rottigheid - de gewelddadige jihad, het terrorisme, sektariërs die geloofsgenoten in de ban doen - alles waar we terecht bang voor zijn, dat is al lang onderzocht! Dat weten we nu. Onze boodschap is ook niet dat het allemaal wel mee valt. De vraag die wij stellen is: kunnen we iets aanvangen met het islamitische activisme? Er zijn zó veel verschillende bewegingen! Laten we ons afschrikken door de vlag van de islam? We kunnen beter zoeken naar wat wèl aansluit bij onze waarden en belangen.'

Midden-Oostenkenner Maurits Berger spreekt hier over het rapport Dynamiek in islamitisch activisme - Aanknopingspunten voor democratisering en mensenrechten. Dat rapport is mede zijn werk. Het werd onlangs gepresenteerd door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringbeleid (WRR). Berger is jurist en verbonden aan het Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen 'Clingendael'. Hij deed mee aan het onderzoek waarop het WRR-rapport steunt.

Berger kent vooral de Arabische wereld. Hij bekleedde posten aan de Nederlandse ambassades in Caïro en Damascus en was een tijdje correspondent. In november promoveerde hij op het proefschrift Sharia and Public Policy in Egyptian Family Law. Voor het WRR-project schreef hij onder meer de deelstudie Klassieke sharia en vernieuwing.

In een Haags etablissement praten we door over het rapport en over Bergers bijdrage. Die gaat vooral over de shari'a, het islamitische recht dat in het Westen wordt geassocieerd met hardvochtige, middeleeuwse straffen. Jihad en shari'a beheersen het vijandbeeld dat in 1993 werd opgeroepen door Samuel Huntington in zijn artikel The Clash of Civilizations.

Dat vijandbeeld werd in de jaren negentig niet al te serieus genomen, maar sinds 11 september 2001 is het gemeengoed. Het was mede aanleiding voor de WRR-exercitie. Berger: De werktitel voor het project was 'het clash-rapport'. We vroegen ons af: hebben we werkelijk te maken met een confrontatie van beschavingen of valt er een brug te slaan? Dat is onderzocht op drie deelgebieden: sociaal-politieke denkbeelden, islamitische bewegingen en de neerslag van het islamitische activisme - elders 'islamisme' genoemd - in de wetgeving van de moslimwereld. Dat zijn de 48 landen waar moslims in de meerderheid zijn.'

De in het rapport geschetste diversiteit van die moslimwereld maakt algemene uitspraken over 'de islam' nagenoeg onmogelijk, erkent Berger. Er zijn bijna evenveel islams als er moslims zijn. Maar tegelijkertijd merk je hoe bindend 'de islam' is. Als je in het Midden-Oosten een moslim op straat aanspreekt en je vraagt 'wat vindt u van de shari'a?', dan zegt hij in negen van de tien gevallen 'fantastisch'. Op de vraag of die moet worden ingevoerd, komt bijna altijd een geestdriftig 'ja'. En als je vraagt wat de shari'a is, weet niemand het antwoord. Als je shari'a vertaalt met 'rechtvaardigheid' wordt dit begrijpelijker. In het Midden-Oosten is het wanbestuur, corruptie en ongelijkheid wat de klok slaat. Voorstellen met het etiket 'islamitisch' hebben de wervende kracht van een fatsoenlijk alternatief. Islam en shari'a zijn motors waarmee men denkt allerlei goeds in gang te kunnen zetten. Dit is een sociale dynamiek die vanzelf politiek wordt. De opkomst van de islam als politieke factor in de moslimwereld, die in de jaren zeventig begon, noemen wij islamitisch activisme.'

De islam is een religie. Waarom besteedt de WRR-studie zoveel aandacht aan het recht?

In de moslimwereld zijn islam en shari'a bijna synoniem. Wat is die shari'a nu precies? Op het hoogste abstractieniveau is het Gods plan met de wereld, zoals dat tot uitdrukking komt in de openbaring aan Mohammed. Dan heb je het klassieke recht, regels die in de eerste eeuwen na het optreden van de profeet door rechtsgeleerden en theologen zijn afgeleid uit de geopenbaarde beginselen. Vervolgens heb je de hedendaagse rechtspraktijk, die put uit de shari'a, maar ook ook uit allerlei westers en internationaal recht. En tenslotte is er het 'geleefde recht' in gebieden die zich onttrekken aan centraal gezag en waar ongeschreven islamitisch recht is vermengd met plaatselijk gewoonterecht. Die vier bijten elkaar regelmatig.

In de jaren zeventig en tachtig is de shari'a op allerlei plekken in de moslimwereld ingevoerd, maar volledig ingekapseld in het bestaande rechtssysteem en daardoor van karakter veranderd.'

Wie formuleert die shari'a?

Daarin is in de loop der tijd een grote verschuiving opgetreden. Eeuwenlang hadden de religieuze rechtsgeleerden, de ulama, het monopolie. Die keken vooral naar boven en vroegen zich af: wat is nu precies Gods plan? Shari'a werd een intellectualistische exercitie, een abstracte wetenschap waarin van alles theologisch en juridisch werd dichtgetimmerd. De praktische uitvoerbaarheid hield de heren minder bezig.

In de twintigste eeuw leerde menigeen lezen en schrijven, een novum in de islamitische wereld. Dat leidde tot een bijna protestants fenomeen: iedereen ging zelf de bronnen lezen. In allerlei kringen werd vastgesteld dat Gods plan, zoals neergelegd in de koran en de handelingen van de profeet, nogal beperkt was: familie- en erfrecht en wat strafrecht, meer niet. Dat werd uitgebreid, want Gods plan omvat idealiter alles. De deuren van de ijtihad, de vrije interpretatie van de bronnen, die in de tiende eeuw waren gesloten, gingen weer open. Er werd gemorreld aan de gevestigde religieuze orde; de ulama kregen zware concurrentie. In nieuwe moslimlanden werd in naam van de shari'a gesleuteld aan een heilstaat. Ook feministen storten zich nu op de bronnen en concluderen dat zij eeuwenlang zijn geterroriseerd door een stel misogyne kerels. Het blijkt een begeesterende utopie: God heeft een groots plan en daar kunnen we veel goeds uit halen.'

Volgens de WRR 'speelt de islam in politiek en maatschappelijk opzicht een belangrijke rol in de ontwikkeling van moslimlanden'. Modernisering en secularisering gaan dus niet hand in hand.

Hoe vreemd het ook klinkt, het islamitische activisme is één van de moderne stromingen van de twintigste eeuw. Het jargon is alleen niet het onze en het leidt niet tot dezelfde uitkomsten. Wij beschouwen onze samenleving als af. Wij hebben de hele race gelopen, vinden we, en staan bij de finish te wachten op de anderen. Maar zij rennen ons voorbij, want ze lopen een andere race.

Het belangrijkste bestanddeel van het islamitische activisme is het welzijnswerk. Dat is uit nood geboren. Veel moslimlanden hebben in het verleden een socialistische boodschap verkondigd die ze niet konden waarmaken. Moslimorganisaties stappen in dat gat. Zij worden een politieke factor, omdat ze laten zien dat de staat tekortschiet. Ze genieten nu veel meer legitimiteit dan de repressieve overheden en hanteren steeds vaker democratische normen.

Ik zie het islamitische activisme vooral als een ethisch reveil. Men zet zich niet alleen af tegen de eigen machthebbers, maar ook tegen wat zij zien als de westerse moraal. Men wil sociale rechtvaardigheid, zeker, maar ook vasthouden aan andere, niet-westerse waarden. Neem Saoedi-Arabië, een ondemocratisch, vrouwonvriendelijk land, nietwaar? Decennialang hebben duizenden Saoediërs gestudeerd in Amerika, het land van vrijheid en democratie, maar ze gaan allemaal terug. Waar zijn de Saoedische asielzoekers? Ik heb daar veel over gepraat. Dit land deugt niet, hoorde ik, maar het zijn wel onze mensen. Er bestaat in het Arabisch geen woord voor 'thuis', eigenlijk alleen voor 'familie'. Is er, vroeg ik, niet een plek waar je altijd aan moest denken in Amerika? Nee, alleen het warme bad dat familie heet. In het Westen zien ze teloorgang van familiebanden, sociale codes, moraal. Rond deze waarden wordt de shari'a opgetrokken. Een vriend van me is fundamentalist, maar wil weten hoe wij het doen. In Nederland zag hij veel mensen met een hond. Daar gaan we weer, dacht ik, de islam is tegen honden. Nee, hij vond dat maar eenzaam. 'Hebben ze dan niemand om mee te praten?' Je hoort mensen om je heen te hebben, sociaal te zijn. Dat zag hij als islamitisch.'

Bij het uitleggen van de koran is de geest al een eeuw uit de fles. Waarom greep men dan in landen waar de shari'a is ingevoerd terug naar de keiharde straffen van het klassieke recht?

Westerlingen denken bij shari'a meteen aan het strafrecht. Dat is door maar 8 van de 48 moslimlanden ingevoerd. Het klassieke islamitische strafrecht bestaat uit vijf delicten en bijbehorende straffen: diefstal (amputatie), struikroverij (van verbanning tot kruisiging), consumeren van alcohol (zweepslagen), seksueel verkeer buiten het huwelijk (van geselslagen tot steniging) en iemand valselijk beschuldigen van overspel (zweepslagen). Over de vraag of afvalligheid tot deze delicten behoort, zijn de klassieke rechtsscholen verdeeld. Daarnaast zijn er pre-islamitische regels voor het omgaan met moord, doodslag en mishandeling (oog-om-oog). Verder niks.

In de landen die de shari'a sinds de jaren zeventig hebben ingevoerd, klonk een algemene roep om law and order. Je was niet veilig in Soedan. Iran was een bende. Met de veiligheid op straat in Nigeria was het bar gesteld. Het was ook revolutionair élan, bijltjesdag: 'we ruimen al het tuig op'. In Nigeria gebeurt dit ad hoc; ze doen maar wat. Als je alleen naar de wetten en de formele rechtspraak kijkt, valt het wel mee. Maar er is meer: de informele shari'a van de straat, die een dwingende normatieve kracht heeft.'

Toch stelt het rapport dat 'de islamisering van het recht tot nu toe een beperkte reikwijdte heeft gehad'.

In het Midden-Oosten hebben wetgevers toegegeven aan de normatieve druk van de islam. Maar de trukendoos staat open. In Egypte heeft een onderzoekscommissie het complete wetgevingscorpus tegen het licht gehouden. Conclusie: ruim negentig procent van de Egyptische wetten is niet strijdig met de shari'a. Dus, zei de commissie, hebben we shari'a. De meeste wetten vallen binnen het domein dat het klassieke recht siyasa noemt: de vrije beleidsruimte voor de overheid om de vele zaken te regelen die de shari'a niet regelt. Dat is wat machthebbers altijd hebben gedaan en nog steeds doen en dat is een belangrijke buffer. In Pakistan worden door lagere rechters regelmatig draconische straffen uitgemeten, maar tot nu toe werden die steeds door hogere rechters in naam van de shari'a afgekapt. In Soedan is het strafrecht de laatste tijd bijgesteld. Daar is ook ruimte voor, want wat de shari'a concreet aangeeft, zijn alleen straffen, niet het procesrecht dat regelt hoe men tot een straf komt. De shari'a was vroeger het monopolie van ulama. Nu is er een intelligentsia, zijn er wetgevers en professionele juristen. Daarom spreekt het rapport van een nog onbesliste strijd om het rechtsmonopolie: wie is wetgever in de moslimwereld? De vraag is nu of dit leidt tot nationalisering van de shari'a of tot islamisering van het recht. Tot nu toe wint de staat.

De klassieke shari'a rept helemaal niet van 'de staat', alleen van de geloofsgemeenschap en een leider. Het idee van een islamitische staat kwam op in de jaren vijftig, toen er in de moslimwereld nationale staten waren ontstaan. Toen ging het over de vraag waaraan een leider moet voldoen, hoe je hem benoemt en hoe je van hem af komt. Men ontleende een paar dingen aan de islam en de rest aan het westerse bestuursrecht.

We moeten contacten onderhouden met het islamitische activisme. Maar: ga niet in op hun islamitische jargon, want dan leg je het af. Praat niet over etiketten, maar over bouwstenen. Laat hen maar uitleggen hoe het werkt in een islamitische staat: procedures, besluitvorming, hoe presidenten worden gekozen. Hoe zij het noemen, interesseert ons minder.'