`Gratis` musea betekent concurrentievervalsing

De in de Tweede Kamer aangenomen motie om de collecties van ex-rijksmusea gratis toegankelijk te maken, draait om drie ideeën: de rijkscollecties zijn met belastinggeld opgebouwd, het rijk betaalt al voor het beheren en tentoonstellen ervan en iedereen heeft baat bij `gratis`. Een vierde argument, dat de extra personeelskosten van `gratis` museumbezoek gecompenseerd kunnen worden door meer koffie te schenken, is door de musea al afdoende ontzenuwd. Het eerste idee is grotendeels onjuist. De collecties zijn (en worden nog steeds) vooral door particuliere stichtingen en schenkers gevormd.

Het tweede is grotendeels achterhaald. Tot tien jaar geleden kwam de hele exploitatie van rijksmusea voor rekening van het rijk. Sindsdien is dat nog maar een deel. Dat er nog geen ex-rijksmusea failliet zijn gegaan, is te danken aan alert management, aan allerlei ad hoc geld van het rijk en aan de particuliere sector: bedrijfsleven en vrijwilligers hebben vroegere rijkstaken overgenomen.

Het idee dat toegang tot de collecties gratis moet zijn, omdat `de belastingbetaler` al betaald zou hebben, is onzinnig. Het grotendeels bekostigen van openbaar vervoer, defensie, universiteiten en volksgezondheid door het rijk geeft belastingbetalers toch ook geen recht op gratis treinen, gebruik van wapentuig, gratis studeren of kosteloze zorg. Dat iedereen baat heeft bij `gratis`, is simpel stuntwerk van initiatiefneemster Nijs. Vanuit de museumwereld is al veel kritiek geuit op Nijs` motie. De betrokken musea hebben laten weten dat zij zonder forse geldelijke compensatie in de problemen komen. Daar doet de Kamermeerderheid veel te luchthartig over. Maar echt ergerlijk is dat deze Kamerleden zich in het geheel niet bekommeren over het effect van hun ideeën op musea waar nauwelijks of geen belastinggeld aan te pas komt. Die bestaan bij de gratie van vrijwilligerswerk, schenkingen en sponsorbijdragen én van de opbrengst van de toegangskaartjes. Gratis entree tot de immense rijkscollecties confronteert de andere musea in hun omgeving met forse concurrentievervalsing. Zelfstandige musea, die geen overheid achter zich hebben die wel even bijpast, komen daardoor in de problemen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.