Gentherapie tegen afweerstoornis SCID was tot falen gedoemd

De experimentele gentherapie die bij drie kinderen met SCID als bijwerking leukemie veroorzaakte, was gedoemd te mislukken. Enkele Amerikaanse en Duitse onderzoekers hebben vastgesteld dat het ingebrachte gen zelf de oorzaak van alle narigheid was (Nature, 27 april).

SCID is de afkorting van Severe Combined Immune Deficiency. Het syndroom omvat een aantal zeer ernstige erfelijke aandoeningen, waarbij de immunologische afweer niet functioneert. Zonder behandeling overlijden de patiënten voor ze één, twee jaar oud zijn.

De behandelde kinderen hadden door het SCID-syndroom een tekort aan werkzame T-cellen (een soort witte bloedcellen) door een defect gen op het X-chromosoom. Bij de behandeling werden de cellen van een intact gen voorzien. De ingreep leek veilig en effectief, totdat ruim twee jaar na de behandeling de T-cellen van de kinderen kwaadaardig gingen woekeren: er ontstond een lymfoom, een vorm van leukemie. De experimentele behandeling werd onmiddellijk gestaakt, maar er waren intussen wel tien patiëntjes mee behandeld.

Aanvankelijk meenden de ontwikkelaars van de therapie dat de vorming van de lymfomen werd veroorzaakt doordat het ingebrachte gen zo ongelukkig in het DNA terecht was gekomen, dat abusievelijk een oncogen in de T-cellen was geactiveerd. Een oncogen is een gen dat cellen tot tumorgroei kan aanzetten.

Uit de experimenten van de Amerikanen en Duitsers, die aan muizen dezelfde gentherapie gaven als de patiënten, blijkt echter dat dit niet het geval kan zijn. Eén op de drie proefmuizen kreeg leukemie, en dat al na een half jaar. Zulke muizentests waren ook al gedaan voordat de kinderen werden behandeld, maar toen waren de proefdieren niet langer dan zes maanden na de behandeling vervolgd. Net te kort dus om argwaan te krijgen.

Dat het ingebrachte gen de boosdoener was, en niet een per abuis aangezet oncogen, bleek toen de onderzoekers dat verdachte oncogen bij muizen inbrachten. Dan ontstonden ook lymfomen, maar dat gebeurde op zijn vroegst pas na een jaar. Omdat het 'therapeutische' gen het snelst kanker veroorzaakte, concluderen de onderzoekers dat dat gen de oorzaak van het mislukken van de gentherapie moet zijn.

De onderzoekers concluderen dat bij gentherapie veel meer tijd moet worden uitgetrokken voor experimenten met proefdieren, alvorens de eerste testen op mensen worden gedaan. Huup Dassen

    • Huup Dassen