Geen allahu akbar, wel anders eten - Nederland worstelt met diversiteit en gelijkwaardigheid

Het woord diversiteit klinkt mooi, maar is niet zo makkelijk in praktijk te brengen als de 'anderen' niet alleen verschillend zijn, maar ook gelijkwaardig. In Nederland is men niet erg bereid zich aan te passen, terwijl dat op een aantal punten wel zou moeten.

Diversiteit is een woord dat ik maar al te goed ken uit de Verenigde Staten. Sinds het begin van de jaren '90 valt deze term geregeld in academische kringen, de overheid en het zakenleven om blijk te geven van wijsheid en goede bedoelingen.

Misschien is deze morele dwang om te getuigen van de waarde van diversiteit wel deel van het probleem. Het streven naar diversiteit is zo algemeen aanvaard dat er nauwelijks meer kritisch over wordt gediscussieerd. Het is een vaag begrip geworden. Wat is diversiteit? In hoeverre is een samenleving die gekenmerkt wordt door diversiteit eigenlijk haalbaar en wenselijk? Is het mogelijk om een samenleving te creëren die uiting geeft aan zowel diversiteit als gelijkwaardigheid?

Misschien is de terughoudendheid in het aangaan van een kritisch debat over diversiteit te verklaren uit de angst dat het niet mogelijk is om culturele verscheidenheid alle ruimte te geven en tegelijkertijd de minderheden die de dragers zijn van deze verscheidenheid te beschouwen als gelijkwaardig. Er zijn namelijk niet alleen grote verschillen in culturele leefstijl, maar ook soms in opleidingsniveau en sociale achtergrond, waardoor het minder gemakkelijk zal zijn om 'de ander' te beschouwen als gelijkwaardig.

Hoewel Nederlanders wereldgeschiedenis hebben geschreven met hun opvatting dat culturele verschillen overbrugd kunnen worden door handeldrijven en een pragmatische politiek, is er nu sprake van scepticisme, ja zelfs pessimisme, in Nederland over de mogelijkheid dat allerlei bevolkingsgroepen vredig kunnen samenleven.

Er zijn twee manieren waarop moderne samenlevingen proberen diversiteit een plek te geven. Het eerste model is de representatieve diversiteit, waarbij religieuze of etnische minderheden in staat worden gesteld om zich te organiseren in hun eigen organisaties of waarbij ze worden uitgenodigd om hun achterban te vertegenwoordigen in publieke organisaties. Op deze manier krijgen minderheden de kans om zich te ontwikkelen, hun eigen belangen te verdedigen en hun cultuur in stand te houden. Hoewel deze 'culturen' ondergeschikt zijn aan de meerderheidscultuur - de meerderheid schenkt deze minderheden ruimte - krijgen zij hierdoor toch mogelijkheden om deel te nemen aan het publieke leven zonder hun eigen identiteit op te hoeven geven.

Het tweede model is de intra-institutionele diversiteit, waarbij gestreefd wordt naar maximale diversiteit binnen organisatievormen. Elke instelling moet zich moeite getroosten om mensen binnen te halen uit zoveel mogelijk verschillende culturen, omdat een variëteit aan ervaringen en ideeën de instelling verrijkt. Individuen vertegenwoordigen niemand anders dan zichzelf; waar het om draait is de variatie aan achtergronden.

Alle moderne samenlevingen kennen beide vormen van diversiteit. De eerste vorm van representatieve diversiteit was vooral krachtig aanwezig in Nederland tijdens de hoogtijdagen van de verzuiling, maar deze vorm van diversiteit kan tot vandaag de dag ook worden gevonden in veel andere landen.

De tweede vorm van diversiteit is sterk aanwezig in de VS, Groot-Brittannië en andere Commonwealth-landen en wint wereldwijd steeds meer aan invloed. Religieuze en etnische minderheden hebben baat bij beide modellen van diversiteit, hoewel de voordelen verschillen van plaats tot plaats, van tijd tot tijd en ook afhankelijk zijn van de doelstellingen.

Maar één groot probleem in het Nederland van nu is dat zijn meest gangbare model van diversiteit - de verzuiling - grotendeels (maar niet geheel) haar effectiviteit heeft verloren. Organisaties zoals politieke partijen, bijzondere scholen en vakbonden dragen niet langer sterk bij aan het vergroten van de diversiteit in het publieke leven. Het zijn geen plekken meer waar een minderheid zich organiseert; de openbare en de bijzondere instellingen zijn steeds meer op elkaar gaan lijken. De Nederlandse samenleving wordt in toenemende mate gekenmerkt door een meerderheidscultuur, waarin één culturele of ideologische norm dominant is geworden. Nederland bevindt zich eigenlijk tussen diversiteitsmodellen: tussen het oude, verzuilde model waarop het zwaar gesteund heeft en waaraan velen nog steeds gehecht zijn en de nieuwe experimentele vormen als het intra-institutionele model.

Samengenomen met een groeiende afkeer van immigratie en angst voor islamitische nieuwkomers heeft deze overgangssituatie geleid tot een gevoel van crisis over de wijze waarop culturele diversiteit vorm zou moeten krijgen op een manier die zowel rechtvaardig is als de samenleving niet uit haar evenwicht brengt.

Dit streven naar evenwicht is belangrijk. Want de centrale vraag waar veel Nederlanders zich mee bezig houden, is niet de vraag hoe diversiteit bereikt kan worden op de basis van gelijkwaardigheid - het huidige thema van het Nationaal Comité Herdenking Capitulaties - maar de vraag hoeveel diversiteit de sociale orde aankan. Veel inwoners van Nederlandse steden zien de veranderingen in hun woonomgeving en maken zich zorgen over de toekomst. En politieke leiders in het land streven vooral naar stabiliteit. Voor hen is diversiteit vooral iets wat beheerst moet worden ('diversity management' zoals dat in het bedrijfsleven heet). Dat betekent dat diversiteit beperkt moet worden als het de sociale samenhang of de publieke orde bedreigt en dat het getolereerd of zelfs gestimuleerd moet worden als het de samenhang bevordert. Het debat over de vraag of religie (en dan gaat het vooral om de islam) nu een bindmiddel is of niet, komt hieruit voort.

Dit is zeker een legitiem en belangrijk streven, dat ook zichtbaar is bij politici en bestuurders in andere delen van de wereld, hoewel Nederlandse leiders naam hebben gemaakt met het streven naar consensus en het vermijden van conflict. Zij blinken uit in hun ijver om deze processen te sturen en te beheersen, opdat de samenleving niet ontwricht wordt. Maar dit streven getuigt ook van een beperkte blik op culturele verscheidenheid; diversiteit wordt gereduceerd tot een potentieel ontwrichtende kracht die met zorg moet worden gekanaliseerd. Deze beperkte blik op diversiteit wordt versterkt door een andere factor: de Nederlandse gevestigde orde (het leiderschap van de Nederlandse instellingen) is zelf niet bijzonder divers. Niet alleen bestaat dit gezelschap vooral uit autochtone mannen, maar ook zijn hun ideeën en overtuigingen in de Nederlandse post-verzuilde samenleving tamelijk homogeen. Het is niet zo dat ze zich uit principe verzetten tegen diversiteit (ze doen echt wel moeite om mensen van 'buiten' aan te trekken) of dat zij zich afsluiten voor nieuwe ideeën (die ze vaak heel interessant vinden), maar dat ze nogal tevreden zijn met de huidige situatie en met elkaar. Ze komen dus soms nogal zelfgenoegzaam over. Als Amerikaanse mannelijke professor, die de Nederlandse taal beheerst, heb ik niet veel moeite gehad om binnen de Nederlandse samenleving te werken, maar ik ben net voldoende een 'outsider' om te zien hoe denkwijzen van buiten, vooral van niet-westerse allochtonen, op afstand kunnen worden gehouden. Nederlanders op invloedrijke posities erkennen het belang van diversiteit in hun instellingen, zolang dat business-as-usual maar niet verstoort.

Het is dus niet zo dat Nederlanders zich verzetten tegen diversiteit, maar dat deze diversiteit niet te veel invloed mag hebben op de bestaande situatie. Dat hoeft geen verbazing te wekken. Veel Nederlanders zijn met recht trots op de maatschappij die zij hebben gecreëerd. Je kan en mag niet verwachten dat Nederlanders openstaan voor oneindige diversiteit. Dat is sowieso onmogelijk. Maar dit dwingt wel om extra goed op te letten op de vormen van diversiteit waar Nederlanders in feite naar streven.

De eerste illusionaire vorm van 'diversiteit' is een 'Nederland voor de Nederlanders'-ideaal. Dit ideaal lijkt vijandig te staan tegenover religieuze en etnische minderheden en als het al ruimte wil bieden aan diversiteit, dan moet het een vorm zijn waarvan 'de Nederlanders' in elk geval geen 'last' hebben. De eis dat etnische en religieuze tradities zich voegen binnen de kaders van de rechtsstaat is goed te verdedigen, maar verzet tegen oproepen tot gebed vanaf de minaret, omdat het (in tegenstelling tot kerkklokken) overlast veroorzaakt, laat duidelijk zien dat hier geen sprake is van diversiteit waarbij gestreefd wordt naar gelijkwaardigheid.

De tweede illusionaire vorm van diversiteit is een zonnig multiculturalisme, waarbij een ideologische viering van diversiteit de problemen rond culturele diversiteit ontkent. Als academicus weet ik dat vooral hoogopgeleide mensen in die richting neigen. Een collega uit Washington vertelde mij dat ze dol was op de rijke culturele mozaïek van de stad, maar ze durfde haar kind niet toe te vertrouwen aan het openbare schoolsysteem, waar veel minderheden aanwezig waren en de testscores lager waren. De prijs voor het wonen in een diverse omgeving was te hoog voor haar zoon. Hij werd dus naar een ander plekje gestuurd om duur privé-onderwijs te ontvangen. De verschillen zijn aanwezig en worden soms als pijnlijk ervaren. De autochtone bevolking kan er moeite mee hebben dat sommige nieuwkomers een straatcultuur kennen die door de autochtonen wordt ervaren als publieke overlast. Nieuwkomers (zoals ik) kunnen er moeite mee hebben om tegen hun wil geconfronteerd te worden met naakt in de Nederlandse publieke ruimte. Deze conflicten kunnen niet worden opgelost door de zorgen die onder de verschillende bevolkingsgroepen leven, te negeren.

Deze hardnekkige problemen rond culturele diversiteit laten wel zien dat diversiteit meer is dan alleen wat leren over andere religieuze dagen of culinaire tradities en te oefenen in verdraagzaamheid als het gaat over de manier waarop andere mensen zich kleden. Misschien zouden we het woord 'diversiteit' niet langer in de mond mogen nemen, totdat we bereid zijn de prijs daarvoor te betalen. Doet een werkgever die diversiteit nastreeft op de werkvloer voldoende, als hij werknemers probeert aan te nemen met andere etnische en religieuze achtergronden? Of zal hij ook stappen moeten ondernemen om de manier waarop zijn bedrijf wordt gerund, aan te passen? En als dat zou moeten, is diversiteit dan wel iets waar hij naar zou willen streven? Hoe meer gelijkwaardigheid onderdeel uit gaat maken van het streven naar diversiteit, hoe hoger de kosten zullen zijn.

Omdat het kan gaan over hardnekkige verschillen, is cultureel conflict de prijs die de Nederlandse samenleving zal moeten betalen als zij ruimte wil geven aan diversiteit. In de meeste landen wordt de aanwezigheid van conflict gezien als een teken van falen en dit wordt misschien nog acuter gevoeld in de Nederlandse samenleving, waar sociale vrede en harmonie zo hoog in het vaandel staan. Maar angst en boosheid zijn niet te vermijden nevenproducten van een maatschappij die leert om te gaan met diversiteit. Het zijn de verklaarbare gevoelens van gewone mensen, die elkaar deels terecht en deels onterecht wantrouwen en beschuldigen.

Nederland heeft vanuit het verleden tradities ontwikkeld om spanningen in de samenleving te ontladen en ik ben daarom redelijk optimistisch over de kans dat Nederland groot geweld en buitensporige conflicten ook in de toekomst kan vermijden. Maar in deze overgangstijd zal het publieke vertrouwen wel op de proef worden gesteld en een behoorlijk niveau van sociaal conflict is waarschijnlijk. En deze spanningen nemen niet meteen af na de eerste generaties. Zo blijkt dat Latino's in de Verenigde Staten juist meer discriminatie ervaren naarmate ze hoger opgeleid en meer geïntegreerd worden in de Amerikaanse samenleving. Hun kennis van zaken en hun verwachtingen zijn toegenomen. Onderzoeken wijzen uit dat dit in Europa niet anders is. Het is dus niet mogelijk om te streven naar gelijkwaardigheid in diversiteit zonder conflict.

Welke vorm van diversiteit ook zal worden gekozen, het is wel duidelijk dat er ook iets zal moeten veranderen in de structurele condities. Natuurlijk is het nodig dat nieuwkomers hun eigen tradities kritisch tegen het licht houden in de context van een nieuwe woonomgeving. Maar Nederlanders zouden ook hun eigen instellingen aan kritisch onderzoek kunnen onderwerpen, om te zien in hoeverre structurele condities minderheden in de weg staan om goed te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Ik denk bijvoorbeeld aan het onderwijssysteem, waarin jongeren uit minderheden massaal worden doorverwezen naar het vmbo en waar voor hen nauwelijks stageplaatsen beschikbaar zijn. Ook is er nu pas aandacht voor de wijze waarop systematisch wordt gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Verder verdient de beperkte toegankelijkheid van publieke voorzieningen voor gehandicapte mensen - een andere groep die de samenleving divers maakt - meer aandacht. Om werkelijk te streven naar gelijkwaardigheid in diversiteit, zullen de Nederlandse institutionele structuren grondig moeten worden doorgelicht. Wie van 'diversiteit' meer dan een mooi woord wil maken, zal concrete maatregelen moeten nemen om bestaande structuren open te breken, zoals ook al door onder anderen Frank Bovenkerk is opgemerkt.

Dit wekt de indruk dat de zoektocht naar gelijkwaardigheid in diversiteit erg moeilijk kan zijn, en dat ontken ik niet. Er zijn geen gemakkelijke of permanente oplossingen. Maar er zijn ook beloningen: de culturele dynamiek van een diverse samenleving en de vreugde van het ontdekken van nieuwe inzichten door de inbreng van mensen uit andere culturen. Maar uiteindelijk gaat het in deze zoektocht naar diversiteit in gelijkwaardigheid over iets heel fundamenteels: wat zijn wij elkaar schuldig als mensen?

De antropologe Anne-Mei The schrijft in een voorwoord van een nieuwe geschiedenis over de Roma en Sinti dat de foto's van deze groepen haar dwongen om afstand te nemen van de stereotiepe beelden van vioolmuziek en woonwagens en hen te zien in hun strijd om een plekje te veroveren in onze samenleving, waar de vooroordelen hun het leven niet gemakkelijk maken. Nu we de Bevrijding van 1945 nogmaals herdenken, is het inzicht dat vrijheid iets is 'dat je maakt met elkaar' bijna vanzelfsprekend.

Maar tegelijkertijd is dit gezamenlijke streven naar vrijheid een doorgaande worsteling om anderen dezelfde vrijheid te geven die je voor jezelf claimt.

Hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij promoveerde op de roerige jaren '60 in Nederland, en schreef o.a. 'Nieuw Jeruzalem in aanbouw: Nederland in de jaren zestig' (1995).

Dit essay is inzet van het symposium 'Diversiteit en gelijkwaardigheid: Ideaal, probleem of paradox?' op 5 mei in het International Conference Centre in Wageningen.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Geen allahu akbar, wel anders eten – Nederland worstelt met diversiteit en gelijkwaardigheid (29 april, pagina 13) wordt James Kennedy auteur genoemd van Nieuw Jeruzalem in aanbouw: Nederland in de jaren zestig. Het boek heet echter: Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig.