De zee en niet de geit

Dertig jaar geleden werden de Sahel-landen, landen als Senegal, Niger, Mali en Burkina Faso tot aan Soedan die aan de zuidrand van de Sahara liggen, door zulke zware droogtes getroffen dat het er op leek dat ook zij voorgoed in woestijn zouden veranderen. Aanvankelijk werd het aan een gril van het klimaat toegeschreven - het broeikaseffect was nog niet in de mode - maar toen het aanhield kregen de bewoners zelf de schuld. Ze hadden de lokale vegetatie te zeer laten wegvreten door hun vee - vooral geiten - en de rest als brandstof gekapt. Daardoor hadden wind en zand vrij spel gekregen en met fataal gevolg: de verhoging van het albedo, dat is het zonlicht-weerkaatsend vermogen van de bodem. De kale grond weerkaatste het zonlicht veel beter dan vroeger het gras en de struiken hadden gedaan en daardoor bleef hij koeler. Dat verminderde de kans op regen en zo kon het nòg droger en kaler worden.

kamelenhandelaars keren terug uit Libië. Foto Gerbert van der Aa Aa, Gerbert van der

De Israelische onderzoeker Joseph Otterman had het albedo-effect voor het eerst in 1974 voor de begrazing van de Negev-woestijn beschreven, maar een gelijksoortige publicatie van de Amerikaanse meteoroloog Jules Charney in 1975 kreeg de meeste aandacht. Vooral de UNEP, de milieu-organisatie van de VN, heeft steeds zwaar het accent gelegd op het antropogene karakter van de verwoestijning: de oorzaak lag in menselijke activiteit. De implicatie was dat de mens het dan ook zelf zou kunnen oplossen. Al in 1977 vond een conferentie over verwoestijning plaats in Nairobi en toen moest de grootste droogte nog komen. In 1983 en 1984 bereikte de regenval een dieptepunt. Van de weeromstuit is het gevaar van verwoestijning in de eerste vervolgconferentie (in 1984) nog eens extra zwaar aangezet. De zuidgrens van de Sahara rukt op met een snelheid van 6 kilometer per jaar.' Ook de Brundtland-commissie van het invloedrijke VN-rapport Our Common Future slikte het voor zoete koek. Toen was het 1987.

twijfel

Op dat moment was de ergste droogte al lang en breed voorbij en had de vegetatie zich zozeer hersteld dat veel experts openlijk twijfelden aan het bestaan van zoiets als 'verwoestijning'. Een tijdelijk effect was voor een omineuze trend aangezien, meenden zij. In 1989 publiceerde New Scientist een spraakmakend artikel onder de titel 'The myth of the marching desert'. Het heeft niet mogen baten. De angst voor onomkeerbare verwoestijning werd nieuw leven in geblazen door het VN-panel voor klimaatverandering IPCC die de gevolgen van het broeikaseffect analyseert. Ook het IPCC voorspelt veel verwoestijning. Maar de IPCC-verwoestijning is anders dan die van de UNEP. De UNEP maakte zich zorgen over uitbreiding van de Sahara door menselijk handelen. De IPCC voorziet het ontstaan van nieuwe woestijnen als gevolg van klimaatverandering. 'Verwoestijning' heeft veel betekenissen gekregen.

Inmiddels blijkt uit satellietopnamen en observaties ter plekke dat de Sahara juist inkrimpt. De regenval neemt trendmatig toe en ligt alweer bijna op het niveau van het langjarig gemiddelde. Tot verbazing van velen bleek de vegetatie zeer snel op de nieuwe, gunstige situatie te reageren. De Sahel wordt groener. Richard Kerr schreef het in 1998 in Science nog maar eens duidelijk: de Sahara rukt niet op naar het zuiden'. Er waren toen net twee Amerikaanse satelliet-studies verschenen waaruit naar voren kwam dat de grens tussen steppe en woestijn voortdurend heen en weer ging.

Belangrijk voor het lokale agrarische beleid is dat de achteruitgang van de jaren zeventig en tachtig nu weer wèl vooral aan een klimaatgril wordt toegeschreven. De omslag tekende zich al af in 1986 toen onderzoekers in Nature lieten zien dat de temperatuur van het water van de Atlantische èn de Indische Oceaan bepalend kon zijn voor de regenval in de Sahel. Een publicatie van Alessandra Giannini c.s. in Science (7 november 2003) heeft misschien de doorslag gegeven. Een geavanceerd klimaatmodel dat de tussen 1930 en 2000 gemeten zeewatertemperaturen van Atlantische en Indische oceaan als feiten meekreeg bleek de jaarlijkse regenval in de Sahel tussen 1930 en 2000 heel redelijk te kunnen 'voorspellen'. Daarmee heeft de albedo-theorie van Otterman en Charney niet helemaal afgedaan. Nog steeds wordt aangenomen dat het verdwijnen van een vegetatiedek door zijn gevolgen voor windweerstand, verdamping en albedo een flink effect heeft op de regenval. Maar waarschijnlijk een secundair effect.

satellietstudie

Gezien de vergroening van de Sahel en de gunstige trend in de regenval lijkt de voedselvoorziening er misschien geen gevaar meer te lopen? Dat is te vroeg gejuicht. Een satelliet-studie van de Zweed Lennart Olsson c.s., vorig jaar gepubliceerd in de Journal of Arid Environments, bevestigt de vergroening voor de periode 1982-1999. Maar vreemd genoeg melden alleen Mali en Burkino Faso een betere oogst aan gierst. De florerende vegetatie die de satelliet waarneemt, bestaat kennelijk vooral uit wilde planten. Hun conditie blijkt geen graadmeter voor die van de cultuurgewassen.

Intrigerend is dat er geen helder verband tussen vergroening en regenval blijkt als men de ontwikkelingen in detail bekijkt. Er zijn vergroenende gebieden waar het niet extra regende en andersom. Andere invloeden doen zich dus gelden en Olsson sluit niet uit dat het de trek van het platteland naar de stad is. Het platteland ontvolkt.

De Wageningse onderzoekers Lars Hein en Nico de Ridder zijn ook niet helemaal gerust op de ontwikkelingen. Zij bestudeerden met satellietopnames de zogenoemde rain use efficiency (RUE), dat is de hoeveelheid planten-bijgroei die per mm regenval op jaarbasis wordt waargenomen. Ze onderzochten voor veel regio's de relatie tussen dit quotient en het regenaanbod en stelden vast dat de RUE voor vegetatie op goede bodem meestal toeneemt naarmate het regenaanbod toeneemt (tot een zeker maximum). Maar in de Sahel neemt de RUE niet toe. Hein en De Ridder spreken daarom de vrees uit dat de Sahel-bodem de laatste decennia flink is gedegradeerd. De kwetsbaarheid voor nieuwe droogtes zou daarmee zijn toegenomen (Global Change Biology, 2006).

    • Karel Knip