Bobbelige billen

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage in het ziekenhuis. Vandaag mag ze voor het eerst zelfstandig visites rijden.

Naast me komt een glimmendgele Saab tot stilstand. Ik kijk opzij: krijtstreeppak, zonnebril, strak achterovergekamd haar. Die pakken we, Fordje. Bemoedigend trommel ik de maat van mijn nieuwste cd op het stuur. Zodra het licht op groen springt, sprint ik met gierende banden meters op mijn buurman vooruit. In mijn spiegel zie ik hoe hij opschrikt, zijn handen krampachtig om het stuur klemt en me voorbij raast.

Tevreden leg ik mijn linkerarm in het open raam. Vanmiddag rij ik zelfstandig visites. Ik ben op weg om een invalide vrouw 'een halve ampul leuproreline intramusculair' te geven. Op een dag als vandaag kan ik me nauwelijks voorstellen hoe ik anderhalf jaar terug als nerveuze huppel aan mijn co-schappen begon. Ik voel me méér dan klaar voor het 'dokterschap'. 'Kom maar op met die eed van Hippocrates!' roep ik euforisch door Snoop Dogg heen.

Mevrouw Baars zit al tien jaar in een rolstoel, maar 'invalide' is wel mijn laatste associatie bij dit hyperactieve vrouwtje. Ze schildert, doet aan rolstoelhockey en jazzballet. Haar huis lijkt een creatieve kruising tussen sportschool en meditatiecentrum: Elke trap is een glijbaan, er is geen muur zonder handgrepen. Daartussen worden exotische kussens, gewichten en wierookbranders nonchalant afgewisseld.

Mevrouw Baars heeft vleesbomen in de baarmoeder. Om een operatie uit te stellen, krijgt ze van Jacco Peters, haar huisarts, elke drie maanden een injectie. Terwijl ik de ampul optrek, doet mevrouw handig een 'transfer rolstoel-bed'. Op haar buik op bed, de wit bobbelige billen bloot, vertelt ze over haar laatste expositie. Ik volg de handleiding in mijn hoofd: de spuit als een dartpijltje in het 'laterale bovenkwadrant' van de bil mikken, checken of je niet in een bloedvat zit, en spuiten maar.

'Klaar? Dan zet ik thee.' Ze rolt de slaapkamer alweer uit. 'Ga maar vast op de bank zitten', roept ze vanuit de keuken. Maar dat doe ik niet. Ik sta in de slaapkamer naar de ampul te staren: de lége ampul. 'Thee is klaar, kom je?', klinkt het even later. Gedwee loop ik de woonkamer in.

Waarom zou ik haar ongerust maken? denk ik twee koppen thee lang door ons gesprek heen. 'Pfoe. Krijg een beetje hoofdpijn. Ik ga even liggen', zegt mevrouw Baars dan. Bij het zien van mijn blik, voegt ze lachend toe: 'Heb ik wel vaker hoor, niks ernstigs.'

Terug in de auto, blader ik vlug in mijn medisch kompas en bel Jacco. 'De dubbele dosis! En hoofdpijn ís een bijwerking van dat leupro-spul!', besluit ik overstuur.

'Zou kunnen', aarzelt hij, 'maar zo'n bijwerking binnen een kwartier lijkt me erg snel. Ik denk dat het haar gewone spanningshoofdpijn is. Hoe reageerde ze toen je het haar vertelde?'

Het is even stil. 'Nou, ik wilde niet...'

'Drie maanden van je eed verwijderd, en je hebt hem nog niet eens doorgelezen?' roept Jacco. Ik zwijg en hij citeert: 'Ik zal de patiënt geen schade doen, hem goed inlichten, ik zal mij open en toetsbaar opstellen?' 'Ja maar, ik dacht...' stamel ik. 'Gelukkig heb je nog drie maanden, dokter Hermans. Je moet nog een héleboel leren', lacht hij.

    • Anne Hermans