Begaafde kleuters

Jonge kinderen zijn perfecte wetenschappertjes. De kunst is dat spontane onderzoeken in het wetenschappelijke spoor te krijgen zonder hun interesse in de kiem te smoren. Sarah Blom

Kinderen zijn wetenschappertjes in de dop, omdat ze steeds in verwondering zijn over wat ze om zich heen zien. Foto Maurice Boyer Lezing over de werking van vulkanen in Nemo, kinderen met 3d brilletjes Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 060122 Boyer, Maurice

Dat jonge kinderen nieuwsgierig zijn en in hun poging natuurlijke verschijnselen te doorgronden volwassenen nog al eens bestoken met verrassend slimme vragen, is bekend. Rousseau, Montessori en Piaget hebben er hun theorie over kinderlijke ontwikkeling op gebaseerd en vonden dat leraren en opvoeders kinderen in hun spontane belangstelling zouden moeten volgen. Maar geven deze kindgerichte ontwikkelingstheorieën wel inzicht in hoe bètatalent zich ontwikkelt?

Niet genoeg, vinden de bedenkers van het project 'Talentenkracht', en dat vonden ook de sprekers op het door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) georganiseerde symposium Curious minds. Scientific reasoning in early youth. Wat bètatalent precies is, hoe het zich ontwikkelt en hoe het te beïnvloeden is in onderwijs en opvoeding moet met multidisciplinair en soms onorthodox onderzoek verder achterhaald worden, stellen de voortrekkers van het project Talentenkracht: de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de filosoof Johan van Benthem en de wiskunde-didacticus Jan de Lange.

Op het symposium werd dan ook de ontwikkeling van bètatalenten door sprekers vanuit verschillende disciplines belicht. Bètawetenschappers, cognitieve psychologen en ontwikkelingspsychologen betoogden eensgezind dat die spontane nieuwsgierigheid van jonge kinderen (3-5 jaar) uitgangspunt moet zijn voor de ontwikkeling van bètatalenten. Ze deelden verder de constatering van de projectleiders dat die nieuwsgierigheid in de schoolperiode vaak zoekraakt. Voor hoe het anders kan, werden voorzichtig al enkele oplossingen aangedragen.

Op de vraag wat bètatalenten zijn, antwoordde Robbert Dijkgraaf bijvoorbeeld dat jonge kinderen eigenlijk perfecte wetenschappertjes zijn. Ze zijn in verwondering over wat ze om zich heen zien, ze stellen vragen, ontwikkelen hypothesen en testen die in hun experimenteergedrag. Ze hebben daarbij ook de houding van een wetenschapper: ze durven, zijn serieus, en ook een beetje naïef. Dijkgraaf heeft het dan over bètatalenten die bij alle leerlingen ontwikkeld kunnen worden. Het zijn potentiële vermogens van de mens als soort, die zich ontwikkelen als de omstandigheden gunstig zijn en die zich uiten in activiteiten als logisch en creatief denken, argumenteren, patroonherkenning, ruimtelijk inzicht, classificeren en vergelijken, navigeren en oriënteren.

verrassend

Maar wat jonge kinderen precies kunnen, wat en hoe ze denken, en hoe dat zich allemaal ontwikkelt is nog lang niet helder, stelt Jan de Lange. In elk geval lijkt het er wel op dat ze meer kunnen dan Piaget aantoonde met zijn proeven waarmee hij de stadia in de cognitieve ontwikkeling probeerde vast te leggen. Piagets uitgangspunt was in feite negatief: bewijzen dat leerlingen iets nog niet uit zich zelf kunnen, zoals bijvoorbeeld logisch denken of van perspectief wisselen. Terwijl ze dat met een beetje hulp wèl kunnen, en vaak tot verrassend veel meer in staat zijn.

Ontwikkelingspsycholoog Paul van Geert beaamt dat, maar vindt dat je wel het volgende onderscheid moet maken. Er zijn algemene bètatalenten die bij de mens als soort horen en die zich op een haast vanzelfsprekende manier in de sociale en culturele omgeving ontwikkelen. Dat is bijvoorbeeld een talent als logisch denken, dat sterk samenhangt met de spraakontwikkeling. En aangezien de culturele omgeving zich ook ontwikkelt, kunnen er weer nieuwe talenten ontstaan, bijvoorbeeld bepaalde computervaardigheden, of een sterkere visuele intelligentie.

Daarnaast zijn er specifieke, individuele bètatalenten, waarvan het ene kind er vermoedelijk meer heeft meegekregen dan het andere. Ook deze individuele potenties ontwikkelen zich dynamisch en zeker niet zo regelmatig als Piaget veronderstelde. De sociaal-culturele omgeving kan die ontwikkeling belemmeren of versnellen. Van Geert noemt als voorbeeld Gran'ma Moses die haar talent voor schilderen pas op haar 70ste ontdekte.

chinees tellen

Zo zijn er dus sociale en culturele omstandigheden die gunstig zijn voor de ontwikkeling van bètatalenten. De beïnvloeding gaat vaak zo ongemerkt dat hij 'natuurlijk' lijkt. Neem nou het leren tellen. Het is bekend dat Chinese kinderen eerder en beter tellen dan Amerikaanse.

De Amerikaanse cultuurpsycholoog Kevin veronderstelde dat dat te maken heeft met de Chinese taal die een logischer naam geeft aan de telwoorden boven de tien. In het Engels, net als in het Nederlands overigens, wordt na 'tien' de correspondentie met de logica van het 10-tallig stelsel doorbroken door de onlogische namen 'eleven' en 'twelve'. In het Chinees is dit niet het geval. In China zegt men 'tien één' en 'tien twee'. Een vergelijkend onderzoek onder peuters en kleuters in China en de VS toonde inderdaad precies aan dat Amerikaanse kinderen tussen hun vierde en vijfde jaar problemen krijgen met tellen boven de tien. Hun Chinese leeftijdsgenootjes gaan in die periode juist met sprongen vooruit. Miller verklaart de latere verschillen in rekenprestaties tussen Chinese en Amerikaanse leerlingen mede uit dit culturele verschil. Daarnaast zijn er dan nog andere culturele omstandigheden die de verschillen kunnen verklaren, zoals de nadruk op inspanning in China, tegenover het geloof in een gegeven, en dus niet te veranderen, aanleg in de VS. Kinderen een goede 'gereedschapskist' met symbolen en houdingen meegeven is daarom een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van bètatalenten.

gereedschapskist

De cognitieve psychologe Rochel Gelman gaf verder inhoud aan die gereedschapskist. Zij benadrukte het belang van voorschoolse programma's waarin jonge kinderen een concept 'ontdekken' - bijvoorbeeld groei - door hun eigen voetjes regelmatig te meten en de metingen te vergelijken, en dat ook te doen met een ontkiemende boon. Gelman hoopt zo een basishouding te bevorderen die maakt dat 'science' in het voortgezet onderwijs ook nog interessant wordt gevonden.

In de basisschoolperiode is het dan nodig steeds de brug te slaan tussen het spontane leren en het 'wetenschappelijke' leren. Daarbij zouden docenten enerzijds veel geduld moeten hebben, maar anderzijds hun leerlingen wel als wetenschappers moeten aanspreken. Uitdagen, onderzoeksvaardigheden aanleren en nauwgezetheid bijbrengen zijn dan sleutelcompetenties van de docent.

Omdat het project Talentenkracht zich in de eerste plaats richt op jonge kinderen stelt het zich ten doel niet alleen docenten, maar ook ouders 'ogen te geven'. Ouders weten vaak niet goed hoe ze om moeten gaan met nieuwsgierige vragen van hun kinderen. En docenten in de basisschool zijn maar matig toegerust om leerlingen van het spontane in het 'wetenschappelijke' spoor te krijgen zonder hun interesse in de kiem te smoren. Die dynamiek vinden is de grote uitdaging voor het project Talentenkracht.

www.talentenkracht.nl

    • Sarah Blom