3 en 4, nee 3 en 5, nee 4 en 5 mei

Pal na de oorlog worstelde de Nederlandse regering enige jaren met de organisatie van dodenherdenking en bevrijdingsdag. De koningin lag dwars en het deerlijk beschadigde land kon zich geen vrije dag veroorloven.

De muzikale clown Borano had goed nieuws. Te elfder ure kon hij het organiserende theaterbureau laten weten dat hij toch nog in staat zou zijn mee te werken aan de matineevoorstelling tijdens de bevrijdingsfeesten van 4 mei 1946 in Hoogezand. Aanvankelijk leek het er immers op dat hem dat niet zou lukken. Borano, die blijkens zijn briefpapier garant stond voor 'een nummer van internationaal kaliber', had aanvankelijk ook voor de voorgaande avond al een optreden afgesloten. En dan zou hij, gezien de vervoersproblemen in dat eerste naoorlogse jaar, nooit de volgende middag op tijd in het hoge noorden kunnen zijn. Maar nu 3 mei van hogerhand was uitgeroepen tot 'nationale rouwdag', kwam die feestavond te vervallen. 'Zodat er dien dag geen voorstellingen mogen plaats hebben', schreef de muzikale clown, 'en ik in de gelegenheid ben om den 3. Mei naar Hoogezand te reizen, waardoor ik op tijd kan zijn voor de matinee'.

Borano's briefje betekende in elk geval één probleem minder voor het Rotterdamse theaterbureau Schramade, dat in opdracht van het organisatiecomité in Hoogezand-Sappemeer een matinee- en een avondvoorstelling zou verzorgen. Het was niet eenvoudig geweest voldoende artiesten te vinden die de lange reis konden maken. Menigeen had al elders een engagement. 'En hier hebben wij inmiddels een enorme hausse gekregen in het organiseeren van 4 Mei feesten', zoals het bureau aan zijn opdrachtgever berichtte. Met des te meer genoegen kon Schramade dan ook aan zijn opdrachtgever de verzekering geven 'dat allen groot als klein, oud en jong zich uitstekend zullen vermaken en zeer tevreden huiswaarts keeren.' Het bevrijdingsfeest van 4 mei 1946 beloofde een onvergetelijke gebeurtenis te worden.

Met andere woorden: in het eerste vredesjaar, nu zestig jaar geleden, werden de doden herdacht op 3 mei en werd de bevrijding gevierd op 4 mei.

Al in de loop van 1945 had het kabinet-Schermerhorn zich gebogen over de vraag hoe de herinnering aan oorlog en bevrijding voortaan levend moest worden gehouden. Het eerste nationale bevrijdingsfeest was een manifestatie in het Olympisch Stadion in Amsterdam op 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina, voorafgegaan door stille tochten op diverse plaatsen in het land. Als het aan premier Schermerhorn had gelegen, zou zo'n combinatie van bevrijdingsviering en Koninginnedag de definitieve oplossing zijn geweest. Maar de koningin moet furieus op die suggestie hebben gereageerd. Dat is althans af te leiden uit een passage in de notulen van de ministerraad van 7 augustus 1945: 'De Minister-President deelt mede, dat Hare Majesteit de Koningin het denkbeeld Haar verjaardag met den Nationalen Feestdag te vereenzelvigen, volstrekt afwijst. De Raad besluit dit jaar het denkbeeld een Nationalen Feestdag te vieren, te laten rusten. Te beginnen met het volgend jaar zal als Nationale Feestdag gelden de dag der capitulatie 5 Mei.'

Daarmee leek de zaak geregeld. Ware het niet dat er in confessionele kringen al snel bezwaar tegen dit besluit werd aangetekend, omdat de vijfde mei in 1946 op een zondag zou vallen. Dat zou ongetwijfeld ernstige gevolgen hebben voor de kerkgang. Het kabinet, waarin ook ministers van de christelijke partijen zaten, was het daar kennelijk mee eens. Onder het punt Nationale Feestdag staat in de notulen van 17 januari 1946 slechts te lezen: 'De Raad bepaalt, dat deze zal plaatsvinden op Zaterdag 4 Mei, in plaats van op Zondag 5 Mei.' Van enige discussie ontbreekt in het vergaderverslag ieder spoor; blijkbaar betrof het hier een hamerstuk.

Het volk hoefde echter niet te verwachten dat die zaterdag - destijds normaal gesproken nog een werkdag - daardoor ook een vrije dag was geworden. Dat kon het land zich niet veroorloven, hield minister Drees van Sociale Zaken zijn kabinetscollega's voor. 'Minister Drees merkt op, dat onder de omstandigheden waarin wij thans verkeeren, wij dezen vollen werkdag niet kunnen missen', aldus de notulen. 'De viering zou 's avonds moeten plaatsvinden. Ook op den Zaterdagmorgen van den Nationalen Feestdag zou de minister, in verband met het groote nationale belang daaraan verbonden, willen vragen door te werken.' En niemand sprak hem tegen. De wederopbouw van het deerlijk beschadigde land ging voor alles. Minister Beel van Binnenlandse Zaken beloofde ter vergadering een brief aan alle burgemeesters te zullen sturen, waarin hij 'in boven aangeduiden geest' zou pleiten voor doorwerken.

Maar hoe moest het nu met de dodenherdenking? Twee verschillende adviescommissies brachten twee verschillende adviezen uit. Volgens de uit de illegaliteit afkomstige G.A.C. (Grote Advies Commissie) moest er een Nationale Rouwdag komen op de dag vóór de Nationale Feestdag. Het Nationaal Instituut, dat veel gouvernementeler van aard was, meende daarentegen dat het beter was tijdens de Nationale Feestdag een minuut stilte in acht te nemen. Schermerhorn koos voor het laatste, zo blijkt uit de ministerraadsnotulen van 4 februari 1946: 'De Minister-President merkt op, dat hij zich heeft voorgesteld, dat de herdenking van de gevallenen onverbrekelijk zal zijn verbonden aan den Nationalen Feestdag. Een aparte dag wil hem dus niet gewenscht voorkomen. De Raad kan zich hiermede vereenigen.'

Vervolgens werd het Nationaal Instituut verzocht met ideeën te komen voor 'de dagorde en de stijl' van de feestelijkheden op 4 mei. Deze taak werd verricht door een commissie onder leiding van de prominente hoogleraar en letterkundige Anton van Duinkerken, die daarover in het hele land tientallen vergaderingen hield met lokale belangenbehartigers. Negen jaar later schetste Van Duinkerken een schilderachtig beeld van die tournee in de bundel Nationale snipperdag: 'Geheelonthouders raakten slaags met andersgerichte levensartiesten over de vraag in hoeverre drankverbod en sluitingsuur tot de vaste feestelijkheden behoren. Kapelaans knikten bevestigend naar predikanten, die eenvoudige godsdienstoefeningen ontwierpen, waaraan geen humanist zich had te storen wanneer hij maar een Onze Vader kon verdragen. Alles liep door onze wederzijdse welwillendheid op dood spoor om daarna door onze wederzijdse handhaving van allereenvoudigste rechtsbeginselen te mislukken.'

Wel kwamen er enkele algemene richtlijnen: zaterdagochtend doorwerken tot 12 uur, daarna gingen de vlaggen uit en werden de klokken geluid, om 2 uur begonnen de herdenkingen, om half 3 volgde de minuut stilte en pas dan kon er feest worden gevierd, tot het om kwart voor 12 's avonds werd afgesloten met een toespraakje van de burgemeester en het Wilhelmus. Voor vrouwen en meisjes had het Nationaal Instituut zelfs een van 'overschotjes, lapjes en vodjes' aan elkaar genaaide nationale feestrok bedacht. 'Op den zoom wordt een rand gemaakt van driehoekige stofpunten, punt naar boven en in een zelfde tint', zo luidde de instructie. 'In de punt middenvoor wordt de datum van den eersten nationalen feestdag geborduurd. Ieder jaar wordt een volgend vakje gebruikt.'

Maar in de laatste week van maart bleek dat het kabinet toch nog tot enkele aanpassingen had besloten. De minuut stilte werd verdubbeld en verschoven naar 11 uur 's morgens, waardoor overal het werk en het verkeer zou worden stilgelegd. Dit tijdstip zou meer indruk maken dan twee minuten in de middag, als iedereen al vrij was. 'Het is goed, dat wij dat eene oogenblik ons drukke doen en praten zullen onderbreken om ons heel even te bezinnen op wat toen, een jaar geleden, geschiedde', schreef het Algemeen Handelsblad instemmend. Nog belangrijker was echter het gebaar dat de ministerraad alsnog naar de G.A.C. maakte: behalve de zaterdagse minuut stilte zou er ook op de voorafgaande avond een dodenherdenking worden georganiseerd.

Zo zonden de gezamenlijke radiozenders Hilversum I en II op vrijdagavond 3 mei 1946 van half 8 tot half 10 een Nationaal Programma uit, dat begon met een inleiding van de Nederlands-hervormde predikant F.R.A. Henkels en orgelimprovisaties door Hendrik Andriessen. Vanaf kwart voor 8 was een reportage te horen van een tocht naar de Waalsdorperduinen, waar de nationale herdenking zou plaatsvinden. 'Op de achtergrond klokkengebeier', voegde het programmablad De Radiogids er ter verklaring aan toe. Voorts omvatte het programma een kort concert van het Radio Philharmonisch Orkest, een toespraak van premier Schermerhorn en het slotkoor uit de Matthäus Passion ter afsluiting.

En de twee minuten stilte volgden zodoende op zaterdagochtend 4 mei 1946, als onderbreking van het muziekprogramma Uitzending voor de arbeiders in de continuebedrijven waarmee de VARA destijds trachtte te concurreren met de veel massaler beluisterde Arbeidsvitaminen van de AVRO. Het klokkengebeier kwam die middag om 1 uur van de klokken van de Dom in Utrecht. Overdag waren de meeste radioprogramma's op deze Nationale Feestdag nog tamelijk plechtig van aard (een concert, een oratorium en diverse declamaties), maar 's avonds werd de toon iets lichter. Het Metropole Orkest onder leiding van Dolf van der Linden speelde liedjes van Nederlands fabrikaat, waaronder de tango Tulips bloom in Holland van Malando. Maar ook op zondagochtend 5 mei 1946 stond de radio nog in het teken van de herdenking. Opnieuw werd er gedeclameerd en geconcerteerd, waarna ds. J.J. Buskes een herdenkingsdienst leidde in het Concertgebouw in Amsterdam. Een hoorspel over de laatste oorlogsdagen sloot het ochtendprogramma op Hilversum I en II af.

'De herdenking van het vorige jaar heeft in vele opzichten bevrediging geschonken, doch op enkele onderdeelen is de wenschelijkheid gebleken van een anderen vorm,' meldde het Algemeen Handelsblad in het voorjaar van 1947. De dodenherdenking op 3 mei (ditmaal een zaterdag) bleef gehandhaafd, maar zou nu ook de twee minuten stilte omvatten. En de bevrijding werd gevierd op maandag 5 mei - althans vanaf 4 uur 's middags, zoals nadrukkelijk in de kabinetsnotulen werd opgetekend: 'Minister Drees wijst op het aanmerkelijke verlies van arbeidsuren bij het vrijgeven op een werkdag,' De vierde mei had in 1947 dus geen bijzondere betekenis meer.

Pas in het daaropvolgende jaar verdween de derde mei als herdenkingsavond uit beeld. In 1948 stelde het kabinet de definitieve datering vast: de dodenherdenking, inclusief twee minuten stilte, op 4 mei en de bevrijdingsviering op 5 mei.

Maar of dat lang zo zou blijven, werd al in 1954, in de brochure Nationale snipperdag, betwijfeld door de 26-jarige schrijver Harry Mulisch. 'Negen maal is de vijfde mei gevierd, en het kan niemand zijn ontgaan dat er van jaar tot jaar meer de klad in komt', schreef hij. 'Het is duidelijk. Over een generatie zal ook de laatste rest van een bevrijdingsfeest zijn verdwenen.'

    • Henk van Gelder