Zwanger van de dood

Jacob van Maerlant, de middeleeuwse dichter, wist het al: “Kort voor zijn dood zingt de zwaan vol overgave een prachtig lied.' Zo schreef hij in Het boek der natuur, in het hoofdstuk over de zwaan. Het is een mooi gegeven. Grote statige witte vogels, sierlijk in hun bewegingen, bedachtzaam drijvend - zulke voorname dieren zijn vast in staat om te voorvoelen dat hun stervensuur is gekomen. En zij, symbolen van de dichter immers, moeten ook bij uitstek geschikt zijn om dan nog een laatste lied ten gehore te willen brengen. De zwanenzang. Hij bestaat niet, volgens de biologen, maar er is eeuwenlang in geloofd.

Jim Morrison Foto AP Jim Morrison of the rock group "The Doors" is shown in this undated photo.(AP photo/file) Associated Press

Nog zo'n oud volksgeloof: “Wien de goden liefhebben, nemen zij jong tot zich.' Willem Kloos schreef het, in 1882, over de jonggestorven dichter Jacques Perk. Hij voegde eraan toe dat “de ouden' (de Grieken en de Romeinen) dat ook al wisten. Goede dichters sterven jong, dat is de gedachte. Dan volgt vaak ook al gauw de omkering: wie jong is overleden, moet “dus' een goede dichter zijn geweest, wie de goden welgezind waren. Het verlangen naar troost zal daarbij een rol hebben gespeeld: het verdriet wordt enigszins goed gemaakt door het geloof dat die jonge dood een teken van goddelijke uitverkiezing was.

Het uitverkiezingsgeloof leeft sterk in de popmuziek. Dat is ooit zo gekomen door een aantal beroemde jonge doden in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, zoals Buddy Holly, Ritchie Valens, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Jim Morrison. En het kwam ook doordat de popmuziek toen sowieso nog een jonge kunst was, bovendien gemaakt voor en door jongeren. Eigenlijk hoorde iedere zichzelf serieus nemende popmuzikant jong te sterven. The Who, in “My Generation': “I hope I'll die before I get old.'

Zo kon zich al gauw een zwaanachtige mythe rond de jonggestorven popmuzikant vormen. Hij, of zij, was eigenlijk een dichter. Hij of zij kreeg een goddelijke status: uitverkoren, en nu door de goden weer teruggenomen. Hij of zij kreeg een magische uitstraling: hij was als een zwaan die zijn einde had voelen naderen en zijn mooiste lied had bewaard voor zijn zwanenzang. Er zijn soms losse woorden, regels, titels die lijken te wijzen op een groter verband, een vooruitziende blik, een overkoepelend bestuur, misschien wel een goddelijke regie. Zou er meer zijn tussen hemel en aarde?

Bernard Hulsman en Pieter Steinz konden de verleiding niet weerstaan en bogen zich enkele jaren lang beurtelings over zulke “laatste liederen van vroeggestorven pophelden', 44 stuks in totaal, nu verzameld in de bundel Zwanenzangen. De charme van de stukken is dat er steeds iets op het spel staat: Hulsman en Steinz willen graag bewijzen dat aan een laatste lied valt af te lezen dat het het laatste lied moest zijn. In sommige gevallen is dat niet zo moeilijk. Dan wist de zanger al een tijd dat hij niet lang meer te leven had: Freddie Mercury, George Harrison, Bob Marley.

Of hij leidde al een tijd lang een leven waarvan hij kon weten dat hij er niet al te lang mee door kon gaan. Men kan dan spreken van een geleidelijke doelbewuste zelfmoord en meestal is dan elk nieuw lied al geschikt als zwanenzang. Een goed voorbeeld is Ian Curtis, hier “doemrocker' genoemd, de zwartgallige zanger van de zwartgallige groep Joy Division, zijn hele leven al levend in wanhoop, angst, depressie, eenzaamheid - en met liefdesproblemen. Hij maakte in 1980 op 23-jarige leeftijd een einde aan zijn leven. Dit einde was geen verrassing voor wie luistert naar de nummers die hij vlak daarvoor nog met Joy Division had gemaakt. Steinz kiest “Love Will Tear Us Apart' als Curtis' zwanenzang, maar uit zijn stuk zou je ook kunnen afleiden dat het gehele oeuvre van Joy Division eigenlijk één repeterende zwanenzang is.

Dan zijn er ook nog de plotselinge doden, ten gevolge van een vliegtuigongeluk bijvoorbeeld, een toepasselijke dood voor een zwaan: uit de lucht vallen. Dan moeten Hulsman en Steinz veel moeite doen om te bewijzen dat het laatste lied dat de jonge zwanen vlak voor het opstijgen hadden geschreven of gezongen een aankondiging van de dood bevatte. Dat Ritchie Valens in zijn zwanenzang “The Paddi-Wack Song', met de structuur van een aftelrijmpje, het cijfer drie overslaat is een teken: zijn vliegtuig stortte neer op 3 februari 1959.

Bij hetzelfde ongeluk kwam Buddy Holly om het leven. Zijn laatste liedje was een onschuldig afscheidsliedje, van een man die blij is dat hij zijn liefje vaarwel kan zeggen en weer vrij is. Niets wijst erop dat de blijmoedige zanger een maand later zou neerstorten, dat moeten Hulsman en Steinz met spijt toegeven, maar ze wijzen graag nog even op de achteraf toch wel nihilistisch klinkende titel ervan: “It Doesn't Matter Anymore'. De single werd trouwens uitgebracht op de dertiende februari. Dat zegt genoeg. En het gebeurde allemaal tijdens de dertiende tournee van Holly. Dit was een van de vele momenten waarop ik moest grinniken - en dat leek mij ook de bedoeling. Wie gaat er nu tijdens zijn dertiende tournee in een vliegtuig stappen? Het staat er niet, maar we kunnen het tussen de regels door lezen: dan was het ook eigenlijk Holly's eigen schuld.

Iets vergelijkbaars doet zich voor in het stuk over Jim Morrison. Daar was een ideale zwanenzang voorhanden, het sombere ondergangslied “The End', maar er was één probleem: hij schreef het al jaren voor zijn dood. Heb je eens een goede zwanenzang, gaat de zwaan niet dood - en moet je het uiteindelijk doen met “Riders On The Storm', een lied waarvan niemand zeker weet wat het te betekenen heeft.

In deze 44 zwanenzang-analyses lees ik vooral het verlangen om de zaak kloppend te maken. We geloven liever in magie, tovenarij, waarzeggingen en hinein-interpretatie dan in het toeval. Het woord “onheilszwanger' komt vaak voor - uiting van het verlangen om overal de voorbode van de dood in te zien. De waarheid is dat alles “onheilszwanger' is, zeker als je in de gelegenheid bent om het achteraf te bekijken. Vind je niet altijd, bij elke schrijver, een regel die vooruit wijst naar een einde? Het onheil is als het ware in het leven ingebakken. In iedere zanger gaat per definitie een zwanenzanger schuil.

“Elk wezen is zwanger van de dood', wist J.C. Bloem al, in zijn vers “Insomnia'. Hij zal hebben kunnen instemmen met de zang van die ene zwaan, lang geleden al opgetekend, in de Middeleeuwen, in een van de Carmina Burana. “Olim lacus colueram' zingt de zwaan, in het Latijn: ooit woonde ik op meren. En: ooit was ik een mooie zwaan, zo wit als sneeuw. Maar nu is dat voorbij. En de zwaan weet ook heel goed hoe dat komt: hij zit nu aan het spit en wordt langzaam boven het vuur rondgedraaid en gaat zo over van een witte in een zwarte, geroosterde zwaan. Dat is nog eens een echte zwanenzang. Hij ziet de knecht draaien aan het spit, hij ziet de kok in het wit, en hij ziet hoe hij op een schotel wordt gelegd. “Ik ben een schotel ingegaan: / het vliegen is voorgoed gedaan.' (vertaling Willem Wilmink) Dat denken wij ook. Zijn laatste woorden: “Straks vallen tanden op me aan.'

Memento mori. Zo zal het ons ooit ook vergaan: in de hel, in de oven, onder de grond. Er hoort mooie muziek bij.

Bernard Hulsman en Pieter Steinz: Zwanenzangen. De laatste liederen van vroeggestorven pophelden. Met foto's van Lex van Rossen. Conserve, 164 blz. euro 15,-.