“Zij zijn geniaal, de wereld heeft het mis'

Hun leven is verwoest! De vergeten schrijvers die door Joris van Casteren werden geportretteerd, vervloeken de literaire wereld.

Vergeten schrijfster uit het boek van Van Casteren: Helen Knopper

Literaire roem is onvoorspelbaar. Achter elke gearriveerde auteur gaan honderden schrijvers schuil die al bij leven zijn vergeten. Zij brachten hun boeken of dichtbundels uit bij landelijke uitgeverijen, werden bij hun eerste publicatie “talentvol' genoemd, maar raakten verzeild in de marge van de literatuur. Of nog erger. De literaire erehemel is slechts toegankelijk voor een enkeling.

Literair-journalist en dichter Joris van Casteren (Rotterdam, 1976) is begaan met het lot van deze vergeten auteurs, die ondanks strenge afwijzing van uitgevers, critici en lezers volharden in hun schrijverschap. “Het zijn de grotbewoners onder de schrijvers, de ploeteraars die elke keer weer tot diep in de nacht of zelfs vroege ochtend verwoed aan hun manuscripten werken,“ zegt Van Casteren in een etablissement in zijn woonplaats Amsterdam.

In twee boeken met gesprekken geeft Van Casteren een beangstigend beeld van de vergeten letterkundige. In 2002 verscheen In de schaduw van de Parnassus - Gesprekken met vergeten dichters en onlangs kwam Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf - Portretten van vergeten schrijvers uit. Ook de tweede aflevering van het literair tijdschrift Kinbote is gewijd aan het thema “obscuur'. Van Casteren maakt deel uit van de redactie. Hij is, naar eigen zeggen, “geobsedeerd door de onderklasse van de maatschappij, in mensen die niet geslaagd zijn'. In het redactioneel commentaar van Kinbote krijgt het begrip “obscuur' de dimensie van een akelige ziekte: “Voorgoed kleeft een groezelig imago je aan, als een niet te verwijderen vlek. Wie in de literatuur obscuur is bevonden, kan geen kant meer op. Uitgevers weigeren zijn of haar manuscripten, op boekpresentaties wordt hij of zij gemeden, recensenten schuiven zijn of haar voortbrengsels, smalend glimlachend, terzijde.“

In de inleiding op zijn laatste boek, waarin twintig portretten staan, stelt Van Casteren dat enkele veronachtzaamde romanciers het idee hebben dat hun leven “verwoest' is door “de vervloekte literaire wereld' of dat ze “geestelijke averij' hebben opgelopen. Een schrijnend voorbeeld dat Van Casteren geeft, betreft de eens gerespecteerde auteur Judicus Verstegen, die meer dan twintig jaar geleden rond zijn vijftigste werd opgenomen in de psychiatrische inrichting Willebrord te Heiloo. Verstegen schrijft in de kliniek onverdroten voort. Romans, toneelstukken, essays. Hij overweegt in het Engels te gaan publiceren omdat taalgebied en bereik groter zijn. Ook auteurs als Steven Membrecht, Michael Tophoff, Huub van Haren, Alexander Zwagerman, Aleida Leeuwenberg, Kees Wielemaker, Christiaan te Winkel, Christine Kraft of Piet Valkman vochten vergeefs om de lauwerkrans en toetreding tot de literaire canon. Sommigen van hen zijn bekroond met literaire prijzen, anderen bereikten met hun boeken ooit een oplage van tienduizenden, zoals Ben Borgart met de roman De vuilnisroos uit de jaren zeventig. De meesten leven van een uitkering, een enkeling is gezwicht voor een bezoldigde baan.

Van Casteren gaat secuur en behoedzaam met zijn onderwerp om. Dat levert fascinerende portretten op die opvallen door een gedistantieerde schrijfstijl. Van Casteren: “Het idee voor de reeks vergeten dichters ontstond in de aanloop tot de Landelijke Gedichtendag in 2001. Ik was juist als dichter gedebuteerd met Grote atomen en tijdens mijn bezoeken aan antiquariaten zag ik verpletterend veel bundels staan van dichters, van wie ik nooit had gehoord. Ik werkte destijds voor De Groene Amsterdammer en bezocht als eerste dichter Harry Mesterom in zijn souterrain aan de Amsterdamse Stadhouderskade. Hij vertegenwoordigt voor mij het archetype van de bezeten schrijver die wars is van elke concessie. Hij zei: “Poëzie is mijn ademtocht'. Mesterom kan zonder poëzie niet leven. In 1966 verscheen bij De Arbeiderspers zijn eerste en enige dichtbundel, getiteld Een gat in de lucht. Mesterom dicht verwoed door. Kilo's poëzie zijn opgestapeld in zijn huis.“

Gaandeweg het project verzamelde Van Casteren honderden namen van vergeten literatoren. Via uitgeverijen, het Letterkundig Museum en de Koninklijke Bibliotheek probeerde hij adressen te achterhalen. Een enkele keer bleek de uitverkoren vergetene dood, zonder dat iemand het wist. “Het is nooit mijn opzet geweest om leedvermaak te genereren,“ zegt Van Casteren, met dezelfde distantie als zijn beide boeken zijn geschreven. “Evenmin geef ik een literair kwaliteitsoordeel of een psychologische verklaring voor het fenomeen der vergetelheid. Sommigen reageerden woedend, boos of verongelijkt op mijn verzoek tot deelname. Maar in de meeste gevallen trof ik bereidwillige mensen die in het verborgene, ver weg van het literaire rumoer en aandachttrekkerij, volharden in hun literaire overtuiging. Het in het vergeetboek raken van schrijvers is een raadsel: dat is aldoor mijn uitgangspunt geweest, beleden met compassie. Elke schrijver begint op hetzelfde punt, bij nul, zou je kunnen zeggen. Vaak op zeer jonge, onbevangen leeftijd is er de aandrang tot schrijven. Op zolderkamers komen de eerste pennenvruchten tot stand, zonder dat iemand het weet. Ik vind dat een goed en nobel begin, zo hoort het eigenlijk. Dan komt een roman of poëziebundel uit en begint het literaire circus met aandacht van de media, recensies, kortom, het literaire bedrijf met zijn voetangels en klemmen.“

Van Casteren doet recht aan de kluizenaars die niet versagen, schrijvers die in hun rotswoning voldoen aan het romantische ideaal van de bezielde schrijver. “Wat hen samenbindt, is het paradoxale drama van auteur voor de eeuwigheid te willen zijn en nu al bij leven vergeten worden. Ik ontdekte dat de balans verstoord is. Door publicatie is de schrijver een blik vergund achter de façade. Misschien had zoiets beter niet kunnen gebeuren. De heiligheid van het scheppen is hem of haar ontnomen. Uiteindelijk kom ik er niet achter of een auteur terecht of ten onrechte is vergeten. De meest cynische ontdekking die ik deed is dat een auteur moet “netwerken' om bekendheid te verwerven. Velen weigeren dat, met goede reden. Netwerken past niet bij hun idee van pur sang schrijver zijn.“

Bij de presentatie van Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf hield Gerrit Komrij een toespraak, waarin hij repte van auteurs die zo ambitieus zijn, dat zelfs een artikel voor een krant hen te min is. Het zijn Schrijvers met een Hoofdletter. In Kinbote publiceert Menno Wigman zijn dagboek over het gekkenhuis van Den Dolder, waar hij enige tijd als poet in residence verbleef. Hij kwam allemaal dichtende patiënten tegen “Vol van Eigen Genie'. Is die brandende zelfvervuldheid een gemeenschappelijk kenmerk van de vergetenen? “Zoals de titel In de schaduw van de Parnassus aangeeft, wil elke dichter die ik portretteer het allerhoogste bereiken. Dat vind ik een terecht streven en dat maakt hen ook voor mij interessant. Tegelijk blijkt uit deze interviews dat bescheidenheid de auteurs vreemd is. Zij zijn geniaal, de wereld heeft het mis. Je zou kunnen zeggen dat juist minder getalenteerden die grootheidswaan beoefenen. Zij zijn het die uitgevers bestoken met brieven, telefoontjes en emails, tafels ter uitgeversredactie omgooien of belagen met sick jokes, zoals Wigman schrijft. Mijn geportretteerden hopen allemaal, zonder uitzondering, op de ultieme doorbraak. Dat woord keerde tijdens elk gesprek in variaties terug: de doorbraak. Het eenzame gevecht dat zij leveren heeft niets met een writer's block van doen. Integendeel. Hun grote vijand is de uitgeverij en vervolgens de literaire wereld. Zij keren zich van de literatuur af, de liefde is over. De lezer heeft zich in zulke marginale aantallen gemanifesteerd, dat deze een abstractie is geworden. Doorbraak is het sleutelwoord. In zijn boek over zelfmoord en literatuur, De laatste deur, rept Jeroen Brouwers over “solidariteit' met de verstoten schrijvers. Dat boek inspireerde me.“

Van Casteren is zich terdege bewust van de paradoxale strekking van zijn boeken. De vergeten auteurs zijn opeens dankzij zijn portretten aan diezelfde vergetelheid onttrokken. Van Casteren: “Als ik de interviews afneem, maak ik me zo onzichtbaar mogelijk. Ik kan hun vastgelopen carrière niet vlot trekken. Als je de maatschappelijke positie van schrijvers bekijkt, is die feodaal te noemen. Ze zijn aan de willekeur van uitgeverij en pers overgeleverd. Maar mijn boek is niet alleen narigheid. Een auteur als Harry Ikink verzorgt nu als “vergeten schrijver' optredens. Hij trekt volle zalen en wordt onthaald op applaus. Hij heeft zijn plaats in mijn boek uitgebuit. Ik ben me ervan bewust dat ik met mijn vraag of ik een vergeten schrijver mag spreken in hun leven deining veroorzaak. Zo volstrekt vergeten zijn ze kennelijk niet.“

Joris van Casteren: Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf. Prometheus, 14,95; Kinbote. Literair tijdschrift. Prometheus 12,50 .

    • Kester Freriks