Wie was de echte Will?

Het blijft ongelofelijk, in ieder geval een nooit opdrogende bron van verwondering, zoveel nieuwe boeken als er ieder jaar verschijnen over Shakespeare en het toneel waar hij in werkte. Het is ondoenlijk ze allemaal te sorteren en te tellen: want het gaat daarbij niet alleen om wat er in Engeland verschijnt en in de bladen besproken wordt, maar ook om wat hier nauwelijks in het zicht komt uit Amerika en andere landen. Steeds zijn er academici, theaterwerkers en liefhebbers die studies willen schrijven over thema's die voorlopig voldoende besproken leken, en dan moeten zij al de werken van hun voorgangers en rivalen onderzoeken om te voorkomen dat zij ze napraten.

Naast deze groep bewonderaars bestaat er een groep literaire historici, opvallend hoewel niet veelkoppig, die niet geloven dat de stukken die op Shakespeares naam staan inderdaad door hem zijn geschreven. In het midden van de 19de eeuw heeft een mevrouw Delia Bacon een boek gepubliceerd waarin zij meende aan te tonen dat haar naamgenoot Francis Bacon (1561- 1626), al was hij in eerste plaats geleerde en filosoof, met zijn begrip en inzicht de toneelstukken veel beter had kunnen schrijven. Daar zat iets in; al was het niet genoeg om de wereld te overtuigen dat hij het inderdaad gedaan had. Sindsdien is een aantal boeken verschenen waarin andere auteurs voorgesteld worden als meer waarschijnlijke kandidaten van Shakespeares in plaats van de handschoenmakerszoon van Stratford zelf.

Er werden verschillende redenen bedacht waarom zij zich achter de naam van een bekende hoewel niet vooraanstaande acteur zouden hebben verscholen. Christopher Marlowe, onder zijn eigen naam al bekend als toneelschrijver, zou in 1596 in een vechtpartij in een herberg bij Londen niet gedood zijn zoals gewoonlijk aangenomen wordt; hij had zich uit de voeten gemaakt over het Kanaal en de rest van zijn leven op het vasteland doorgebracht met het schrijven van werken die onder de naam van Shakespeare op het toneel kwamen.

Een ander die zich volgens sommige aanhangers best achter de naam van Shakespeare had kunnen verschuilen was Edward de Vere, Graaf van Oxford (1550-1614), en sindsdien zijn er nog veel kandidaten geopperd zonder dat er ooit een onweerlegbare bij kwam. De scholier van Stratford die het tot acteur gebracht had, behield zijn reputatie als de grootste van alle toneelschrijvers.

Maar nu is er weer een nieuwe rivaal naar voren geschoven door twee Amerikanen, Brenda James en Wiliam Rubinstein, in een boek onder de zegevierende titel The Truth Will Out: Na vierhonderd jaar hebben zij de waarheid eindelijk gevonden, denken zij. Niet Bacon, niet Marlowe, niet Oxford, laat staan Shakespeare zelf heeft de stukken geschreven: het was Sir Henry Neville (1564 -1610), een heer van goede huize die verscheidene overheidsfuncties bekleed heeft en zich net zo min als de graaf van Oxford kon veroorloven om bekend te staan als toneelschrijver: enerzijds omdat het geen vak was voor een heer, anderzijds omdat hij er onthullingen in deed die niet welkom zouden zijn bij hof en overheid.

Zou dit nu werkelijk de oplossing zijn voor het probleem Shakespeare? Jameson en Rubinstein hebben geen brieven te bieden waarin Neville vertelt hoe het voelde om Hamlet en The Tempest te schrijven; geen notities van tijdgenoten waaruit blijkt dat zij wisten dat Neville aan toneel deed, geen boodschappen van hemzelf waarin hij Shakespeare vermaande om zich vooral aan de door hem opgegeven tekst te houden. Wat ons als bewijsstukken wordt aangeboden zijn omstandigheden: Neville had een betere opleiding gehad dan Shakespeare op zijn dorpsschooltje in Stratford, hij had gereisd en kende buitenlandse talen, hij had veel aanzienlijke mensen ontmoet, hij was van overheidszaken op de hoogte; hij was om kort te gaan vertrouwd met allerlei mensen en verhoudingen die een acteur in Londen alleen van horen zeggen kende. Zoveel kennis van het grote leven kon Shakespeare niet hebben opgedaan. Het enige dat moeilijk van een hoogwaardigheidsbekleder kon komen, was zijn gevoel voor komedie - tenzij Neville ook al zo' n grappige man was, wat niet aan zijn gezicht te zien hoeft te zijn.

Wel ziet hij er intelligent en voornaam uit op zijn portretten. Onmiskenbaar dat in hem de verbeelding woelde die wij aan Shakespeare toegeschreven hebben, is het nog niet. Of er zo iemand bestaan heeft, en hoe die dan heette, kan nog eeuwen lang onzeker blijven. Intussen zullen er ongetwijfeld nieuwe kandidaten opstaan.

Brenda James en William Rubinstein: The Truth Will Out . Unmasking the real Shakespeare. Pearson Longman, 365 blz, euro 45,50.