Voordat de bom valt

De angst voor een nucleair Iran maakt de lessen van de wapenwedloop tijdens de Koude Oorlog opnieuw urgent. Vergeleken met de wereld na 9/11 stond de wereldpolitiek toen in het teken van paradijselijke zelfbeheersing. Er zijn goede argumenten voor preventief ingrijpen in Iran.

Een vrouw beschildert de voormalige Amerikaanse ambassade in Teheran, 22 jaar na de gijzeling van het personeel, november 2001 Foto Behrouz Mehri/AFP Buitenlandse betrekkingen met Verenigde staten An Iranian women paints a mural on a wall of the former American embassy on the 22nd anniversary of the US hostage taking in Tehran 04 November 2001. On November 4, 1979, between 300 and 400 radical Islamist students stormed the embassy compound by climbing over the walls, and seized the embassy taking 52 US staff members hostage and holding them for 444 days. This lead to the end of diplomatic ties betwen the US and Iran in 1980. AFP PHOTO/Berouz MEHRI AFP

Wie is er bang voor de bom? Volgens Sovjetleider Stalin alleen mensen met zwakke zenuwen. Het aantal mensen met deze handicap is sinds 9/11 in de Verenigde Staten drastisch toegenomen. De aanslagen op het World Trade Centre riepen de angstige vraag op: wat was er gebeurd als de daders nucleaire of andere massavernietigingswapens in handen hadden gehad? De regering-Bush formuleerde een strategie waarin de “war on terror' werd gekoppeld aan de strijd tegen schurkenstaten die probeerden deze wapens in bezit krijgen. Die strategie is, ondanks de tegenslagen in Irak, nog steeds hoogst actueel. Vandaag moet de leider van het Internationale Atoom- en Energieagentschap (IAEA), El Baradei, officieel verslag uitbrengen aan de Veiligheidsraad over de weigering van de regering in Teheran om de verrijking van uranium op te schorten. Dit procédé maakt binnen enkele jaren de productie van een Iraans kernwapen mogelijk. Dat de regering in Teheran de ambitie heeft die doelstelling te halen is, na jarenlange pogingen om het IAEA te dwarsbomen en te misleiden, nauwelijks nog aan twijfel onderhevig.

De politieke discussie in Amerika over de dreigende gevaren beïnvloedt inmiddels ook de geschiedschrijving van de Koude Oorlog. In zijn nieuwe boek The Cold War maakt John Lewis Gaddis, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Yale, zich los van de vraag die lange tijd de historiografie van deze periode bepaalde: wie was er schuldig aan de grote spanningen die veertig jaar lang de wereldpolitiek beheersten? In zijn We Now Know - Rethinking Cold War History (1997) was deze vraag voor Gaddis, die al meer dan dertig jaar een van de belangrijkste historische specialisten van de Koude Oorlog is, nog een hoofdzaak. Zijn antwoord was toen enigszins triomfalistisch: met de ineenstorting van het Sovjetsysteem was ook de Koude Oorlog verdwenen, dus de agressieve ideologie waarop het communistische stelsel berustte was de bron van spanningen geweest, zoals Gaddis altijd al had beweerd. Na het gelijk hebben kwam het gelijk krijgen.

Maar in zijn nieuwe boek is hij minder uitgesproken. Niet omdat hij zijn mening over de schuldvraag herziet, maar omdat zijn aandacht is verschoven naar een andere vraag: hoe hebben we het overleefd?

Nu het kernwapen weer hoog op de politieke agenda staat, krijgt het ook in het historische debat een zwaarder gewicht, nadat het lange tijd als thema naar de achtergrond was verdwenen. In de loop van de Koude Oorlog had zich de overtuiging vastgezet dat de verhouding tussen de VS en de Sovjet-Unie werd bepaald door de Mutual Assured Destruction ( MAD), wederzijds verzekerde vernietiging, die volgens sommigen zelfs het karakter van een gegarandeerde zelfbeheersing kreeg. Beide supermogendheden handelden volgens het uitgangspunt dat een nucleair conflict zelfmoord zou betekenen. Het gebruik van kernwapens kon geen politiek voordeel bieden. Daarom hadden deze wapens geen andere functie dan de vijand af te schrikken om de aanval te openen. Dat was wat Stalin bedoelde: als je weet dat de inzet van kernwapens geen voordeel kan opleveren en je bent toch bang dat ze zullen worden gebruikt, dan heb je last van slappe knieën.

Gaddis heeft zijn nieuwe boek opgezet als een geschiedenis van personen; politieke leiders die elk op hun eigen manier met de nucleaire dreiging omgingen. De impasse van MAD, zo blijkt uit zijn relaas, leverde een zekere stabiliteit op, maar alleen zolang inderdaad het rationele uitgangspunt werd gerespecteerd, dat kernwapens geen andere functie kunnen hebben dan afschrikking. Dat was niet altijd het geval. Chroesjtsjov, de opvolger van Stalin, was het meest uitgesproken voorbeeld van een leider die probeerde kernwapens te gebruiken als instrument van intimidatie, met het doel politiek voordeel te behalen. Vooral in de kwestie-Cuba (1962) waren grote spanningen en de angst voor een kernoorlog het gevolg, hoewel ook bij Chroesjtsjov ten slotte, zij het op het nippertje, de rationaliteit de overhand behield.

Het ging dus een enkele keer bijna mis, maar vergeleken met de wereld van na 9/11 stond de mondiale politiek tijdens de Koude Oorlog in het teken van een paradijselijke zelfbeheersing en berekenbaarheid. Aan het begin van de 21ste eeuw luidt de bange vraag: hoe lang zal het duren tot een schurkenstaat een kernwapen in handen krijgt, dat het niet alleen zal willen gebruiken om aanvallen van andere naties af te schrikken, maar bovendien als instrument van politieke intimidatie en wellicht ook nog als middel om nucleair terrorisme mogelijk te maken door bevriende jihadisten te bevoorraden. Zelfmoord en grootschalige vernietiging zijn voor terroristen geen afschrikwekkend vooruitzicht, maar een reden van bestaan. Verspreiding van kernwapens (en andere massavernietigingswapens) is daarom voor de Amerikaanse regering een kwestie die alleen maar urgenter is geworden nadat men, naar inmiddels duidelijk is, ten onrechte Irak heeft bezet omdat Saddam Hussein dit soort wapens in bezit zou hebben gehad.

Dit probleem is niet alleen voor de VS dringend, schrijft Michael Mandelbaum in The Case for Goliath. Mandelbaum, hoogleraar internationale betrekkingen aan Johns Hopkins University in Washington, is vooral bekend om zijn Ideas that Conquered the World: Peace, Democracy, and Free Markets in the Twenty-First Century (2002). In zijn nieuwe boek, dat zich laat lezen als een vervolg op het vorige, schrijft hij dat de VS voor de rest van de wereld de rol vervullen van een regering die collectieve voorzieningen verschaft. Dat Amerika dit doet om zijn eigen belangen te dienen, neemt niet weg dat andere naties evenzeer profiteren. De Amerikaanse pogingen om de nucleaire proliferatie te blokkeren, zijn volgens Mandelbaum een belangrijk onderdeel van een ordescheppende taak. Op economisch gebied zien de VS toe, in het kader van de mondiale instellingen als de Wereldhandelsorganisatie en het Internationale Monetaire Fonds, op de regelgeving die het monetaire verkeer en handelsverkeer in goede banen moet leiden.

De vraag die ook Mandelbaum niet kan ontwijken luidt: hoe is het mogelijk dat deze weliswaar zelfzuchtige maar kennelijk ook barmhartige Samaritaan zoveel weerstanden oproept? Zijn niet erg overtuigende antwoord luidt dat dit verzet eigenlijk reuze meevalt. Voor de Amerikaanse suprematie, aldus Mandelbaum, geldt wat Mark Twain ooit over het weer schreef: iedereen klaagt erover maar niemand doet er iets aan. Mandelbaum onderstreept dat er geen spoor te bekennen is van een anti-Amerikaanse coalitievorming, waarin een aantal belangrijke staten samenwerkt om Washington de voet desnoods militair dwars te zetten. De belangrijkste oppositie komt “slechts' van terroristen en schurkenstaten. Hij vergeet echter dat dit verzet door zijn radicale karakter minstens zo bedreigend is voor de VS, zo niet bedreigender, als het gevaar dat uitging van een supermogendheid als de Sovjet-Unie. Bovendien heeft de kwestie-Irak duidelijk gemaakt dat het gebrek aan steun van andere naties voor de militaire interventie, zeker nu die inmiddels tegen de verwachting een duurzame belasting is geworden, wel degelijk een probleem is. Duitsland, Frankrijk, Rusland en China vormden geen robuuste coalitie die Amerika van een invasie afhield, maar hun gebrek aan instemming betekende wel een politiek ongemak dat gewoonlijk wordt gedefinieerd als een tekort aan internationale legitimiteit. Wil het Amerikaanse machtsvertoon als legitiem worden ervaren, dan moet het worden ingepast in een internationaal verband dat bij voorkeur niet een ad-hoc karakter heeft (“coalition of the willing'), maar op institutionele basis functioneert.

In de strijd tegen de verspreiding van kernwapens is dit kader voorhanden in het Nonproliferatieverdrag (NPV) van 1968. Maar deze overeenkomst is in hoge mate uitgehold. De landen die al sinds decennia kernwapens bezitten (Amerika, Rusland, China, Groot-Brittannië, Frankrijk) hebben volgens het NPV de verplichting hun nucleaire arsenalen drastisch in te krimpen, maar van die doelstelling is in bijna veertig jaar weinig terechtgekomen. Andere naties zouden moeten afzien van kernwapenbezit en in ruil daarvoor onder toezicht van het IAEA uranium mogen verrijken, bestemd voor het opwekken van energie. Israël, India, Pakistan negeren echter het verdrag, terwijl Noord-Korea het in 2003 heeft opgezegd.

De Amerikaanse regering sloot met nota bene een van deze staten, India, in mei van dit jaar een overeenkomst over nucleaire samenwerking. Met die daad maakte Washington duidelijk het NPV als een dode letter te beschouwen. Deze houding is moeilijk te combineren met de ook door Amerika onderschreven eis van de Veiligheidsraad aan Iran dat deze natie, in overeenstemming met dit verdrag, alleen uranium zal mogen verrijken onder toezicht van het IAEA. De overeenkomst met India bevestigt dat de Amerikaanse regering de overtreders van het NPV als sinds geruime tijd in twee groepen verdeelt: vriendelijk gezinde regeringen die hun gang kunnen gaan (Israël, India, Pakistan) en schurkenstaten die aangepakt moeten worden (Noord-Korea, Iran).

Niet alleen het NPV, ook de Veiligheidsraad wordt door de Amerikaanse regering nauwelijks serieus genomen. Het vooruitzicht dat effectieve sancties tegen Iran vrijwel onmogelijk zijn, geeft ook alle aanleiding tot die houding. Rusland en China zullen deze maatregelen zo goed als zeker tegenhouden, omdat ze in strijd zijn met hun economische en strategische belangen. Deze naties blijven insisteren dat het “diplomatieke proces' door moet gaan, terwijl de jarenlange pogingen van Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië om Iran te bewegen tot inschikkelijkheid vruchteloos zijn gebleven. Internationale steun en samenwerking zijn uit een oogpunt van legitimiteit voor de VS gewenst, maar afgedwongen passiviteit is als prijs voor die steun in Amerikaanse ogen te hoog. Wat dan?

Mandelbaum weegt in The Case for Goliath zorgvuldig de belangen en risico's af die in de kwestie-Iran in het geding zijn. Als prominent aanhanger van de Democratische partij maakt hij met zijn analyse duidelijk dat het vooruitzicht van een kernwapen dat in handen komt van president Ahmadinejad, niet alleen voor de Republikeinse regering een horrorscenario is. Vergeleken bij deze leidsman was de bluffende Sovjetleider Chroesjtsjov een modelleerling van de diplomatieke zondagsschool. De Iraanse president leidt een regime van heethoofden dat nauwe banden onderhoudt met terroristische groeperingen als Hezbollah en Islamitische Jihad. In zijn veelbesproken artikel van 17 april in The New Yorker, citeert onderzoeksjournalist Seymour Hersh enkele functionarissen van het IAEA, bezadigde vakmensen die aan hun contacten met de Iraanse regering de conclusie hebben overgehouden dat dit bewind wordt geleid door een aantal “nuts': godsdienstfanatici die belust zijn op confrontatie. Zijn ze gek genoeg om een kernwapen door te spelen aan een terroristische organisatie? Wachten tot er complete zekerheid is over het antwoord op deze vraag, betekent waarschijnlijk te laat komen om er nog iets tegen te kunnen doen.

Er zijn meer argumenten om preventief in te grijpen. Het bezit van een nucleair systeem zou Iran in de toekomst de mogelijkheid geven Amerika en Israël af te houden van een militaire aanval op Iraans grondgebied. Maar dit wapen zal behalve als afschrikkingsmiddel waarschijnlijk ook worden ingezet om in de regio van de Perzische Golf te dreigen en te intimideren. Niet alleen Israël, dat volgens de publieke verklaringen van Ahmadinejad van de kaart moet worden geveegd, komt als doelwit in aanmerking. Mandelbaum gaat uitvoerig in op de positie van Saoedi-Arabië, dat met zijn soennitische regime tot de religieuze vijanden van Iran behoort en dat eveneens aan een nucleaire dreiging bloot zou komen te staan.

De Amerikaanse regering ziet zich geconfronteerd met het dilemma dat in deze kwestie belangen en risico's direct in elkaar schuiven. De kans is groot dat Iran op een preventieve aanval van de VS zal antwoorden met gewelddadige acties die de olieproductie ontregelen in Saoedi-Arabië, dat 25 procent van de mondiale reserves onder zijn beheer heeft. Dan treedt het rampenscenario in werking van oliecrisis, inflatie, recessie en mogelijk ook politiek-militaire confrontatie. En dan krijgt het huidige regime in Teheran waarschijnlijk de unanieme steun van een bevolking die nu in groten getale uitziet naar een wisseling van de politieke wacht. Afgezien van deze politieke problemen, zo blijkt uit het artikel van Hersh en het boek van Mandelbaum, kampt de Amerikaanse regering met hoofdbrekens. Een interventie zou zich ditmaal moeten beperken tot luchtaanvallen, omdat met de bezetting van Irak de beschikbaarheid van grondtroepen is verbruikt. Betrouwbare informatie over de ondergrondse nucleaire infrastructuur in Iran ontbreekt. Er zullen honderden doelen platgebombardeerd moeten worden, met alle politieke risico's van dien, in het land zelf en in de rest van de wereld.

Er is nog een complicatie, namelijk de reële mogelijkheid dat de Amerikaanse afweging van belangen en risico's wordt belast door een irrationele factor die de naam verkiezingskoorts draagt. Volgens deskundige prognoses heeft Iran nog ongeveer drie jaar nodig voor de productie van een kernwapen. Dit betekent dat het uur van de waarheid aanbreekt omstreeks 2008, in Amerika het jaar van de campagne voor de verkiezing van een nieuwe president. Senator McCain uit Arizona, op dit moment de belangrijkste kandidaat in het Republikeinse kamp, heeft al het startschot gegeven met zijn uitspraak dat één ding erger is dan een militaire actie tegen Iran, namelijk een nucleair bewapend Iran. De Democraten weten, zeker na de nederlaag van Kerry tegen Bush in 2004, waar hun kwetsbare plek zit: veel Amerikanen vinden deze partij “soft on national security'. De Democratische presidentskandidaat zal dus niet bij McCain achter kunnen blijven, integendeel. Zeker nu ElBaradei rapport heeft uitgebracht, is het aftellen begonnen.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl

John Lewis Gaddis: The Cold War. A New History. Allen Lane, 333 blz. euro 28,50

Michael Mandelbaum: The Case for Goliath. How America Acts as the World's Government in the 21st Century. Public Affairs, 283 blz. euro 26,50