Steeds meer daders

Veel meer Nederlanders dan tot nu toe aangenomen, wisten tijdens de WO II wat de joden te wachten stond in de kampen, betoogt een nieuw boek. Hoe overtuigend is die aanklacht?

Waren wij er net aan gewend dat de grondkleur van ons oorlogsverleden, zoals het door Chris van der Heijden was beschreven, grijs was, blijkt het donkergrijs te zijn, zo niet inktzwart. In zijn goed geschreven boek over de gewone Nederlanders en de Shoah, Tegen beter weten in, schrijft Ies Vuijsje dat “men' toen wel degelijk wist of kon weten dat de joden werden uitgeroeid. Na de bevrijding zou “men' dit hebben verdrongen. De bekendste drie auteurs over de jodenvervolging, Abel Herzberg, Jacques Presser en Lou de Jong zouden deze mythe “enorm' hebben versterkt.

De autodidact Vuijsje, die dit boek schreef om te kunnen begrijpen wat joodse overlevenden onder wie zijn ouders “psychisch hebben moeten doorstaan', zegt dat dit een nieuw inzicht is, maar zijn boek is eerder het logische eindpunt van een onderzoekstraditie die zeker veertig jaar oud is. Alleen in de eerste naoorlogse decennia stond het onderzoek vrijwel volledig in het teken van wat nu de “intentionalistische' visie wordt genoemd. De aandacht van onderzoekers ging uit naar de bedenkers van de bevelen, Adolf Hitler voorop, en de sadisten van de Waffen-SS, die de moord op de joden hadden uitgevoerd. Latere generaties concentreerden zich op het hoe van de massamoord. Deze “functionalistische' zienswijze leidde tot wat Saul Friedländer de “verbreding van de kring van daders' heeft genoemd. Tienduizenden Duitsers, in de Wehrmacht, maar ook ver daar buiten, bleken zich aan oorlogsmisdaden schuldig te hebben gemaakt.

In Nederland combineerden Presser en De Jong de vraag naar het waarom en de vraag naar het hoe, door te wijzen op de cruciale betrokkenheid van het Nederlandse ambtenarenapparaat. De grens tussen de schuldigheid van daders en omstanders is vervaagd. Iedereen die geen slachtoffer of verzetsheld was, geldt voor menigeen als dader of tenminste door passiviteit als medeplichtige. De typering “grijs' pretendeert feitelijk van aard te zijn, maar houdt wel degelijk een politiek-moreel oordeel in.

De term bedoelt te zeggen dat het zwart van de NSB maar een nuance donkerder was dan het grijs van de rest van de bevolking. Aan het modernere, functionalistische onderzoek ontleent Vuijsje de - in de kern slordige - gedachte dat passieve omstanders zich nauwelijks van actieve daders onderscheidden. Bij hem culmineert deze benadering nu in de provocatieve stelling dat de gewone, niet-joodse Nederlanders lijdzaam de deportaties gadesloegen, hoewel ze wisten wat hun joodse medeburgers te wachten stond.

Dagboekauteurs

Vuijsje is niet zuinig in zijn kritiek op Herzberg, Presser en De Jong. De Jong zou met het bronnenmateriaal hebben gemanipuleerd, door selectief te citeren. Zij zouden alle drie berichten en waarschuwingen wat er met de joden zou gebeuren, onder de tafel hebben gewerkt. Vervolgens gaat Vuijsje uitgebreid in op de berichtgeving over de deportaties in de eerste oorlogsjaren - de kern van het boek - en op joodse dagboekauteurs. De tweede helft van het boek bestaat uit, inmiddels voorspelbare, scherpe kritiek op de Joodsche Raad, Raadsvoorzitter David Cohen, Koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering in ballingschap. Ook zij wilden het niet “weten'.

Wat waren de verwachtingen van het grootste deel van de vervolgde joden? Volgens de Duitse machthebbers was het doel van de deportaties tewerkstelling in gezinsverband onder politie-toezicht in kampen in Duitsland. Zogenaamde “strafgevallen', joden die zich aan een of andere overtreding hadden schuldig gemaakt, werden tot de herfst van 1942 naar Mauthausen gebracht, waar zij werden vermoord. Daar werd allerminst een geheim van gemaakt, want de familie kreeg een overlijdensbericht. Joden maakten dus een onderscheid tussen Mauthausen en de andere kampen. Vanaf oktober 1942 werden de “strafgevallen' in aparte wagons ook naar Auschwitz gevoerd. Dat zij daar slechter zouden worden behandeld dan de andere gevangenen, was een breed levende verwachting.

Toen de Britse filmbeelden van Bergen-Belsen uit april 1945 nog op het netvlies gebrand stonden, schreef Herzberg als eerste dat voordien niemand van de massamoord en de gaskamers had geweten. Presser en De Jong zeiden het hem na. De slachtoffers begrepen dat de tewerkstelling zwaar zou zijn, maar de (diep geheime) massamoord was “onvoorstelbaar'. De berichten daarover, ook die van de Londense radio, werden beschouwd als gruwelpropaganda, al vertelden ze de waarheid.

Vuijsje weigert dit te geloven. Wanneer hij in een tekst van Etty Hillesum van 3 juli 1942 het woord “vernietiging' leest, concludeert hij daaruit dat zij op die dag wist “wat de aangekondigde deportaties betekenen', terwijl het tot 17 juli 1942 zou duren voordat het eerste transport met joden in Auschwitz deels zou worden vergast. Vuijsje verwart een bij uitstek pessimistische verwachting met feitelijke kennis. Hij haalt ook tweemaal de eerste bladzijde van het bekende Westerbork-dagboek van de Algemeen Handelsblad-journalist Philip Mechanicus aan. Mechanicus gebruikte hier inderdaad twee keer de term “vernietiging van de Joden.' Maar terwijl Vuijsje Herzberg verwijt dat hij “het weten' van Mechanicus zou hebben verhuld, vermeldt hij zelf niet dat Mechanicus hier iemand citeert; een kamparts die die dag - 28 mei 1943 - tijdig had ingegrepen en daarna had ingepraat op een moeder die met haar twee kinderen zelfmoord probeerde te plegen.

De arts achtte Engeland medeplichtig aan “het lot en de vernietiging van de Joden, omdat het, ofschoon wetende wat er gaande is, niet met meer kracht ingrijpt om Duitsland tot rede te brengen. Het moest Berlijn platgooien, desnoods met mosterdgas behandelen, dan was de oorlog binnen zes weken uit. Als Engeland de vernietiging van de joden niet tegenhield, zou hij wensen dat Duitsland de oorlog won, als straf voor Engeland. Het Duitse volk moest worden uitgeroeid, gesteriliseerd.' Deze laatste zin laat Vuijsje weg en ook wat Mechanicus er in één adem aan toevoegde: “De arts liet zich drijven op zijn sentiment en verloor alle objectiviteit uit het oog, barstte tenslotte in snikken uit en sloeg zijn vuist op tafel. Overspannen. Geen wonder.' Het is dus niet Mechanicus die van “vernietiging' spreekt, hij legt deze term de kamparts in de mond. Dat de arts volgens Mechanicus zichtbaar overspannen was, verzwijgt Vuijsje. Vuijsje doet het geheel ten onrechte voorkomen dat Herzberg zou hebben gemanipuleerd.

Drie procent

Vuijsje somt daarnaast de berichten op van de Britse zenders en de linkse illegale pers - en incidenteel ook van de legale pers - waarin over “uitroeiing' of “vernietiging' werd gesproken. In 1942 waren dat er 24. Hij zegt er niet bij dat deze berichten gebaseerd waren op geruchten en vermoedens en ook propagandistisch van aard en strekking waren. Het is mogelijk dat die berichten in de illegale pers, zoals Vuijsje zegt, door een kwart miljoen mensen zijn gelezen. Van een bevolking van negen miljoen Nederlanders is dat ongeveer drie procent. Het bereik van de Britse zenders was veel groter. Het is zeker aannemelijk dat honderdduizenden Nederlanders over de verklaring hoorden, die de Britse minister Anthony Eden op 17 december 1942 in het Lagerhuis aflegde. Eden zei dat Hitlers dikwijls geuite voornemen “het Joodse volk in Europa uit te roeien' thans ten uitvoer werd gebracht.

Maar bewijst dit dat de Joodsche Raad, Koningin Wilhelmina, de regering in ballingschap en de gewone Nederlanders dit wilden geloven en konden geloven? Welbeschouwd voegden deze verklaringen en berichten niet veel toe aan wat algemeen bekend was: dat de joden, inmiddels een ontrechte en verpauperiseerde minderheid, in gezinsverband gedwongen werden weggevoerd, waarop de stilte van het massagraf volgde. Dat er in Nederland te weinig solidariteit is geweest, schreef Herzberg al in 1950. Vervolging stigmati- seert. Mensen houden niet van mensen met wie het slecht gaat.

De op de uitvoering gerichte geschiedschrijving van de shoah heeft geconcludeerd dat deze slechts mogelijk was dankzij de actieve participatie van de gewone man of vrouw, als dader of als toeschouwer. Maar nu lijkt de generatie die heeft ontdekt dat iedereen een potentiële pleger van genocide is, weer afstand te willen doen van dit morele inzicht, door zich uitsluitend te fixeren op de schuldigheid van de oorlogsgeneratie. Want dat is wat - na Nanda van der Zee en Chris van der Heijden - ook Vuijsje schrijft: het was hun schuld, een schuld die buiten ons zelf ligt. Daarom geeft het nog meer te denken dat hij de oorlogsgeneratie verwijt, dat ze deze gedachte aan de eigen schuld niet kon verdragen, en daarom niet wilde “weten'. Is het ten slotte - niet alleen historisch maar ook moreel - niet zuiverder om de emoties, het geloof in de allersomberste voorspelling van het lot van de gedeporteerden en de bijbehorende politieke bewustzijnsvernauwing, aan de kamparts in Westerbork over te laten, die de deportaties week in, week uit moest aanzien?

Ies Vuijsje: Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in de Nederlandse geschiedschrijving van de jodenvervolging. Augustus, 237 blz. 18,90

Johannes Houwink ten Cate is hoogleraar Holocaust- en Genocidestudies aan de Universiteit van Amsterdam

    • Johannes Houwink ten Cate