Prettig werken in een dwangbuis

Een nieuwe brievenbus, een koninklijk huwelijk, of een jubileum - alles kan aanleiding zijn tot een gedicht. Uit een enquête onder Nederlandse dichters blijkt dat de meesten van hen weleens een gedicht in opdracht schrijven. “De dichter is in deze tijd een kleine ondernemer.“

Ingmar Heytze onder het paviljoen van Stanley Brouwn, gebouwd door Heytzes opdrachtgever Jurriëns foto Roger Cremers Nederland, Utrecht, 26-04-2006 ngmar Heytze werd geboren op 16 februari 1970 in Utrecht. Hij studeerde Algemene Letteren (afstudeerrichting Communicatiekunde) in zijn geboortestad en is de laatste jaren op vele literaire festivals te zien geweest: van Crossing Border (1997) en Lowlands (1997 en 1998) tot de Nacht van de Po‘zie (1998, 1999 en 2003). Op 27 februari 2006 trad hij op tijdens de reprise van Po‘zie in CarrŽ. Ingmar Heytze werkte als freelance journalist en columnist voor een grote hoeveelheid aan bladen, waaronder de Volkskrant, het Algemeen Dagblad, KIJK, Onze Taal en Avantgarde. Op dit moment schrijft hij elke week een column en een actualiteitsgedicht voor AD Utrechts Nieuwsblad. In het seizoen 1999-2000 was hij de eerste huisfilosoof van het Centraal Museum te Utrecht. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Ingmar is echt een prima kunstenaar. Hij kan ook op commando een artistieke prestatie leveren“, zegt aannemer Evert Jurriëns. De nieuwjaarskaarten van zijn bedrijf bevatten sinds 2000 een gedicht van Ingmar Heytze bij een foto van een door de firma gerestaureerd gebouw. “Maar het liefst heb ik dat hij erheen gaat om het te bekijken.“

De dichter doet er zo'n drie weken over. Jurriëns: “Dan gaan er nog wat versies heen en weer, maar we zijn er altijd snel uit. Hij is niet iemand die zijn creatie met het zwaard in de hand verdedigt. Hij bedient zijn klant goed en daar gaat het om.“

Er is misschien geen dichter die zo actief werk maakt van schrijven in opdracht als de 36-jarige Heytze, die in de jaren negentig een belangrijk aandeel had in de popularisering van het podiumdichten, een andere publieksvriendelijke nevenactiviteit. Maar Heytze is niet de enige. Schrijven in opdracht kent een respectabele traditie. Meestal gaat het daarbij om literaire opdrachtgevers, zoals tijdschriften en festivals. Maar de laatste jaren heeft ook het aantal opdrachten en verzoeken om poëzie van overheden, bedrijven en particulieren een vlucht genomen.

Uit een rondvraag, waarop ruim vijftig dichters antwoord gaven, blijkt dat vier-vijfde van hen dergelijke gelegenheidswerk schrijft. Vaak met een door de opdrachtgever aangereikt thema: het vijftigjarig bestaan van de kernreactor, de opening van een nieuwe brug, het huwelijk van het kroonprinselijk paar, parfum van de Bijenkorf, de Rotary-club, Whiskas, de Nuon, of de nieuwe brievenbus. “Het wordt een beetje een mode, overheden en bedrijven die dichtertjes vragen“, stelt Anton Korteweg, dichter en directeur van het Letterkundig Museum. “Het past in de trend van dichters-in-tuinen, dichters-aan-huis, dichters-op-boten, gedichten-op-muren, gedichten overal, behalve in boekenkasten, laat staan in hoofden. Enfin, beter ergens dan nergens.“ De dichter is in deze tijd een kleine ondernemer. “Had ik de tijd, ik begon er een bedrijfje voor“, aldus dichter en hoogleraar Maarten Doorman.

De verklaring voor de trend ziet dichter Erik Lindner in de “Britse situatie' in Nederland sinds 2000. In dat jaar werd naar Brits voorbeeld een Dichter des Vaderlands ingesteld. Dat inspireerde gemeenten om stadsdichters aan te stellen voor het literair vereeuwigen van speciale gebeurtenissen in de stad. Die functies brachten dichters in de publiciteit en gaven het signaal af dat poëzie zich leent voor gelegenheidswerk.

Waarom zouden dichters zich laten overhalen tot het schrijven van gelegenheidswerk? Geld is uiteraard de belangrijkste reden om aan commerciële activiteiten mee te werken. Maar dichters vinden het ook aangenaam achter de broek te worden gezeten met een deadline, om op gang te komen of te blijven. De beperking van een aangereikt thema motiveert veel dichters: dat maakt nieuwsgierig, en sommigen zien het als een kans hun grenzen te verleggen. “Het is prettig werken in een dwangbuis“, zegt Erik Jan Harmens. “Het is adrenaline, het is het geërodeerde begrip “uitdaging'. Iets doen dat je niet kunt en dan trachten te slagen, alsof je een dode zwaan door een vergiet probeert te drukken.“

Naamsbekendheid

Veel dichters vinden het noodzakelijk affiniteit met een onderwerp te hebben. Voor sommigen, werkend in een wereld van kleine aantallen (oplage, verkoop), is ook naamsbekendheid een factor. Wat er wordt betaald, verschilt per opdracht en per dichter. Sommige dichters vragen meer als de opdracht minder aantrekkelijk is of de opdrachtgever vermogend genoeg wordt geacht. Esther Jansma, Tsead Bruinja en Pieter Boskma komen tot het hoogste bedrag, 2000 euro. Bruinja noemt dat een uitzondering en Boskma tekent aan dat hij soms ook een gedicht levert “als vriendendienst, voor een topwijn of zakje uitmuntende hasj“. Twee dichters hanteren als toptarief 1500 euro en vier 1000. Een eenmalige klapper komt op naam van F. Starik: “Vijfduizend euro voor een gedicht op een hekwerk van een kunstwerk in de openbare ruimte.“ Dat kunstwerk is de The Floating Poetry Room van Siah Armajani, op een ponton bij IJburg. “Dat was dan ook een erg ingewikkelde opdracht, met beperkingen in aantal tekens per zijde, inspringende delen, etc. - een traject van ruim een jaar.“ Alleen Paul Gellings maakt melding van verschillende tarieven, “voor sonnetten, kwatrijnen, ballades, etc.'

Menno Wigman en Ilja Pfeijffer hebben het hoogste minimumtarief: ze beginnen bij 500 euro. “Volgens mij ben ik in vergelijking met mijn collega's nog spotgoedkoop“, denkt Pfeijffer. Een flinke prijs moet, vindt Wigman. “Praat eens met een beeldend kunstenaar over je honorarium en je wordt vierkant uitgelachen. Er gaat zoveel geld in het bedrijfsleven om dat een dichter er best wat aan over mag houden. Trouwens, dacht je dat Horatius en Vondel alleen voor hun eigen schaduw op de muur gedichten schreven?“

Ook de jonge dichter Hanz Mirck stelt dat 400 euro voor een gedicht “feitelijk onderbetaald' is, “als je dat in uurloon omrekent en in waarde'.

Toch laten veel dichters zich overhalen als de opdrachtgever sympathiek is of de opdracht interessant genoeg. Voor goede doelen zoals de Stichting KiKa (voor kinderen met kanker) vraagt Dichter des Vaderlands Driek van Wissen geen geldelijke beloning, “hoogstens later een mooier plaatsje in de hemel'. Een karige betaling zijn dichters gewend van literaire opdrachtgevers. Literaire tijdschriften bijvoorbeeld betalen gemiddeld 50 tot 100 euro per gedicht. Een schijntje, aldus Maria Barnas, die merkte dat het nog moeilijk was van een betaling van 15 euro af te zien bij Bunker Hill: “Dat kon niet, ze moesten uitbetalen van hun subsidiegever.“

Overigens verschillen sommige dichters niet van andere bijklussers. Een spreekt van “bedragen onder couvert', een ander somt niet al zijn opdrachten op: “Straks krijg ik de fiscus achter me aan.“

BV Heytze

De inkomsten worden door veel dichters van belang genoemd, al kan niemand van opdrachtwerk leven. Zelfs de “BV Heytze' schat dat het dertig procent van zijn jaarinkomen is. Zoals de 67-jarige Victor Vroomkoning, dichter en ex-docent, zegt: “Ach, een dichter is zelden enkel dichter; was er geen Fonds voor de Letteren, menig dichter zou 't zwaar hebben.“ Sommige dichters die het geld essentieel vinden, maken er een punt van dat het helpt van de subsidie weg te blijven. Zoals Joost Zwagerman, stadsdichter van Alkmaar: “De schrijverij is voor de meeste auteurs een kwestie van armoede en permanent geldtekort. Ik heb het altijd een kwestie van trots en moraal gevonden alles te doen om uit het Fonds van de Letteren te blijven - dit in tegenstelling tot sommige van mijn collega's. Daarom: hulde aan alle auteurs die proberen zichzelf te subsidiëren en financieren met werk in opdracht.“

Toch kunnen er redenen zijn om niet in opdracht te schrijven. Heel simpel: de meeste dichters die geen opdrachtwerk doen, worden gewoon niet gevraagd, zoals de nieuwe P.C. Hooftprijswinnaar H.C. ten Berge. De helft van de ondervraagde dichters beschouwt inhoudelijke eisen van de opdrachtgever als een onoverkomelijk bezwaar.

Verder worden er allerhande argumenten tegen het schrijven in opdracht aangevoerd. “Ik vind een bedrijf als McDonalds (ondanks hun naar het schijnt goede werken voor het zieke kind) fout genoeg om daar geen gedicht voor te schrijven“, zegt Jan Baeke. Volgens Mustafa Stitou (van 1974, en in 2004 de jongste winnaar van de VSB Poëzieprijs) moet de dichter zich afvragen of opdrachtgever en zaak “deugen'. “Dan kan hij zich wijsmaken dat wat hij zelf doet in principe niets anders is: de dichter geeft zichzelf voortdurend opdrachten.“ Voor Piet Gerbrandy, dichter en Volkskrant-recensent, is het dichterschap een “genade': “De Muzen zijn geen hoeren, maar godinnen.“ Stitou schreef maar een paar maal in opdracht, en zegt: “Ik hoef er niet meer aan herinnerd te worden.“ Gerbrandy heeft spijt van de keren dat hij opdrachten aannam: “Slecht gelegenheidswerk, waarvoor ik me moet schamen. Ik heb dan ook besloten nooit meer op zo'n verzoek in te gaan.“

Van Wissen schrijft sinds zijn aantreden als Dichter des Vaderlands veelvuldig in opdracht, in 2005 zo'n veertig keer. En dan weigert hij nog opdrachten voor verjaardagen, huwelijksfeesten, pensionering en overlijden van mensen die hij “in het geheel niet kent'. “Dit zou te zeer tot cliché-teksten leiden. Ook verzoeken tot het schrijven van dichterlijke inleidingen in studentenalmanakken wijs ik af: studenten moeten hun eigen almanakken vullen - anders was Piet Paaltjens ook nooit beroemd geworden.“

De jonge dichteres Tsjitske Jansen, met 12 drukken van haar debuutbundel uit 2003 een van de meest succesvolle dichters, krijgt veel aanvragen. “Meestal doe ik het niet. Het geeft me namelijk nogal veel stress, dus ik moet echt iets hebben met de vraag of het onderwerp.“

De dichter moet wel beseffen wat hij weigert. Ilja Pfeijffer: “Het mooiste verzoek dat ik ooit heb gekregen was van een meisjes-studentenhuis in Groningen. Ze wilden een origineel afstudeercadeau geven aan een van hun huisgenoten. Of ik een persoonlijk gedicht kon schrijven. Dat heb ik geweigerd. Daar heb ik tot op de dag van vandaag spijt van.“

Paul Gellings, stadsdichter van Zwolle, is rekkelijker: “Accountantskantoor Deloitte kwam dit jaar wel met een heel bijzondere opdracht. Ze hoopten dat de gemeente Zwolle hun offerte zou accepteren en wilden er als smeermiddel een gedicht op afdrukken. Daarvoor werd ik in de arm genomen, en ik schreef het gedicht in de bijlage.“

Zelfs de meest welwillende dichter wil geen copywriter worden. Zowel Doorman als Baeke schreven een gedicht voor parfum van de Bijenkorf. Een twijfelgeval, zegt Baeke. “Omdat het gedicht meer over een bepaalde sfeer ging dan zich als directe reclame gedroeg kon het binnen de context van een reclamefolder toch als gedicht “functioneren'.“ Maria Barnas weigerde een gedicht te schrijven voor Whiskas, dat samenwerkte met Libelle. “Ik heb niets met Whiskas, wil niets met Whiskas hebben en wil er ook niet mee geassocieerd worden. Daarbij zou ik voor die opdracht ook vier dagen in een tent moeten zitten om Libelle-lezeressen te vertellen hoe je een gedicht schrijft. Dat bood geen aantrekkelijk vooruitzicht.“

Nu worden de dichtcursussen, tijdens de Libelle Zomerweken in mei, gegeven door twee andere jonge dichters, Vrouwkje Tuinman en Thomas Möhlmann. Beiden staan nu met hun poes op een foto op de website van Whiskas.

Onwelgevallig

Op de grens van reclame en kunst ontstaan de conflicten. Eén op de vijf dichters heeft wel eens een probleem gehad over het gemaakte gedicht. Soms wordt onwelgevallig taalgebruik of kritisch commentaar gecensureerd. Dichter Ruben van Gogh zou vier series van vijf gedichten maken voor Cap Gemini Ernst & Young over “sociale' thema's, bedoeld om de interesse van lokale overheden te wekken. “Gedurende het maken van de eerste serie bleek dat het niet goed ging met het bedrijf en dat ze alleen die eerste serie zouden doen. Toen ik de eerste drie af had, hebben we een gesprek gehad: ze vonden het wel goede gedichten maar misten het Cap Gemini Ernst & Young-gevoel. Of ik dat er nog even in wou brengen. De volgende dag heb ik het afgeblazen.“

Soms bedenkt de opdrachtgever zich, zoals Rob Schouten, dichter, criticus en Trouw-columnist, overkwam: “Ik heb jaren geleden eens een stuk of veertig kwatrijnen voor de Bijenkorf geschreven, over allerhande artikelen, die ze bij nader inzien te confronterend vonden (gipsen benen bij ski-materiaal, erotische versjes bij doorkijklingerie) en die ze bijgevolg ook nooit hebben gepubliceerd. Maar ze hebben me er wel zonder morren voor betaald.“ Een enkele keer maakt de dichter het er zelf naar, zoals de Groningse dichter Daniël Dee, die in een gedicht voor de Gasunie over Zyklon-B begon. “Ik had expres een beetje een provocerend gedicht geschreven omdat het weer een onbetaalde opdracht was en het thema mij niet echt aansprak. Ik heb na de weigering nooit meer een opdracht van ze mogen ontvangen.“ Dee schrijft nu als huisdichter van Kink FM elke week een gedicht op bestelling. De Friese dichter Tsead Bruinja schetste een “masturbatiescène' in een gedicht voor de Cultuurnota van de provincie Groningen. In tweede instantie zag de provincie af van publicatie.

Erik Jan Harmens mocht een gedicht voor de nieuwjaarsreceptie van burgemeester Cohen niet voorlezen wegens de regel: “de burgemeester smoezelt alles komt goed'. En bij de TV Show van Ivo Niehe sneuvelde vorig jaar Harmens' optreden op de montagetafel, net als dat van Ramsey Nasr.

Dergelijke conflicten of afwijzingen zijn eerder uitzondering dan regel. Vaker speelt wat Marije Langelaar formuleert: “Tot dusver leidt een gedicht in opdrachtsituatie alleen tot conflicten met mijzelf.“ Langelaar is tevens beeldend kunstenaar en maakt in die hoedanigheid nooit werk in opdracht: “Ik doe het niet, vind het afgrijselijk. Ik ben juist kunstenaar geworden en dichter (en niet illustrator en journalist) omdat ik houd van een overrompelende vrijheid. Ik wantrouw regels en beperkingen. Word daar opstandig van. Ik wil het graag zuiver en oorspronkelijk houden.“

Ook dichter Erik Linder ziet “wezenlijke gevaren', die liggen in het moeten uitleggen van gedichten en het op de knieën gaan van dichters. Lindner geeft toe dat zijn gevoelens dubbel zijn. Hij geeft een cursus poëzie aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunst, die “bomvol' zit. “Juist jongeren hebben het idee dat het fenomeen poëzie een beetje hip is. Dat kan ergerlijk zijn, maar het is natuurlijk een veel betere situatie dan die waarin ze denken dat poëzie heilig en saai en onbegrijpelijk is.“

Het door Marije Langelaar verwoorde dilemma wordt door meer dichters gevoeld. Toch tonen verreweg de meeste dichters zich bovenal enthousiast over de mogelijkheden en de kansen die werk in opdracht biedt aan de dichter en aan de poëzie. “Prima!“ juicht Esther Jansma, dichter en archeologe. “Het toont aan dat de poëzie nog steeds gezien wordt als iets “hogers', iets waar status mee te verkrijgen is. Goede reclame dus voor de poëzie! En ik ben er absoluut van overtuigd dat gedichten in opdracht van derden even goed, uniek enzovoort kunnen zijn als gedichten die een dichter schrijft in opdracht van alleen zichzelf. De aanleiding van een gedicht is voor mij het aller-oninteressantste aspect van een gedicht.“

Even positief is de Zwolse stadsdichter Paul Gellings, die echter beweert dat het “hogere' juist van de dichtkunst afbladdert. Opdrachtwerk zou de dichtkunst en de dichter uit zijn “ivoren toren' halen. Gellings beschouwt het verschijnsel als “emancipatie' en “een prachtige manier om een groter publiek met poëzie in contact te brengen - de meeste mensen kopen toch geen dichtbundels of literaire tijdschriften.' Volgens Ingmar Heytze brengt opdrachtwerk de poëzie “vooral in rituele zin, niet of nauwelijks inhoudelijk' onder de mensen. “De omgekeerde invloed lijkt me groter, het brengt een zeker maatschappelijk leven in de poëzie.“

Gesnorkel

Heytze wil niets weten van de kritiek dat opdrachten maakwerk zouden opleveren. “Dat lijkt me nou typisch het gesnorkel van literaire snobs. Het ligt helemaal aan de dichter zelf. Er zijn dichters die wars zijn van elke vorm van opdrachtgeving, hoewel ze in hun autonome werk nog nooit iets anders dan een kunstje hebben gedaan. Er zijn ook dichters die met plezier opdrachten aanpakken en daar de mooiste gedichten van maken, die naadloos in hun eigen werk passen.“

Harmens meent dat opdrachtgevers moeten beseffen dat ze een kunstenaar vragen en geen kunstjesmaker. “Natuurlijk wordt een gedicht voor Beatrix geweigerd als de tekst bestaat uit louter scheldwoorden en beledigingen. Maar ik vind een gedicht dat bestaat uit louter scheldwoorden en beledigingen niet interessant. Ik schrijf alleen wel over de koningin in een leeg paleis na de dood van haar man. Ik vraag haar te breken, niet stoïcijns te zijn. “Geef ons een koninklijk krak'. Nou, dan word je er dus uit gesodemieterd. Een aantal opdrachtgevers wil helemaal geen poëzie. Ze willen een versje. Fuck 'em.“

Met dank aan alle meewerkende dichters.