Onze jongens, uit Canada

Het nieuws kwam als een harde waarschuwing: vergis je niet, zo gaat dat daar. Het waren vier Canadezen, die zaterdag in het zuiden van Afghanistan omkwamen toen vlakbij hun auto een bom afging. Maar het was niet moeilijk je voor te stellen dat het Nederlandse militairen waren.

De vier reden in konvooi in een G-Wagon (een soort licht gepantserde jeep met een mitrailleur op het dak) over een droge, rotsigerivierbedding. Ze kwamen terug van een bezoek met hun commandant aan lokale leiders. De commandant was per helikopter teruggevlogen naar de stad Kandahar, de manschappen gingen over de weg. Het was vroeg in de ochtend, iedereen in de hobbelende voertuigen sliep nog half.

En toen opeens was er die enorme explosie, die de auto de lucht in slingerde en uiteenreet. Drie van de mannen waren op slag dood, de vierde werd zwaargewond afgevoerd naar een hospitaal op het vliegveld van Kandahar, waar ook hij overleed. Van daders geen spoor.

We moeten beseffen dat er meer doden zullen vallen, waarschuwde NAVO-chef De Hoop Scheffer in een reactie. Het is een belangrijke maar gevaarlijke missie, slachtoffers zijn onvermijdelijk. Daar moeten de regeringen van NAVO-landen die troepen leveren hun bevolkingen goed van doordringen. Vandaag Canadezen, morgen Britten of Australiërs. Of Nederlanders.

Het is niet prettig daarbij stil te staan. Maar, om met De Hoop Scheffer te spreken, we moetenrealistisch zijn.

Het Nederlandse kabinet heeft er nooit omheen gedraaid. De missie is gevaarlijk, veel gevaarlijker dan de operatie waaraan Nederlandse troepen deelnemen in het relatief rustige noorden van Afghanistan. Over een paar maanden heeft Nederland in de zuidelijke provincie Uruzgan 1.400 tot 1.600 man, de voorbereidingen zijn al in volle gang. Vorige week werd het aantal militairen wegens het gestaag toenemend geweld in het gebied nog met 200 manschappen verhoogd. En er gaat nu ook meer, en zwaarder, materieel mee.

Wat de Nederlandse troepen kunnen verwachten? De voornaamste dreiging bestaat uit 'bomaanslagen, hinderlagen, zelfmoordaanslagen en aanvallen op helikopters', schreef het kabinet vorige week onverbloemd aan de Tweede Kamer. In het westen van Uruzgan kunnen de strijders van de Talibaan sinds oktober 'feitelijk vrij bewegen', in het oosten dreigt dezelfde situatie te ontstaan. En: 'Veel inwoners van deze provincie hebben zich afgekeerd van zowel hun eigen overheid als van de buitenlandse militaire aanwezigheid'. Ga d'r maar aan staan, als Hollandse (of Canadese) jongens.

De openheid van het kabinet over de risico's voor de militairen is te prijzen - en ook politiek verstandig. Een regering die de situatie in een oorlog te rooskleurig voorstelt, misleidt behalve parlement en bevolking ook de mannen en vrouwen die namens hun land hun leven in de waagschaal stellen. En de werkelijkheid van het slagveld laat zich uiteindelijk toch niet verdoezelen - zie Irak.

Maar dat is niet het hele verhaal. Nu het de afgelopen maanden in het zuiden van Afghanistan zo veel gevaarlijker is geworden dan gedacht, dringt de vraag zich op of de missie van de Nederlandse militairen nog wel dezelfde kan zijn als was afgesproken.

Kan er in de grimmige situatie die de troepen zullen aantreffen wel sprake zijn van de bestuurlijke opbouw en economische reconstructie waar de troepen zich op zouden richten? Die vraag speelde al tijdens het Kamerdebat over de missie, in februari, maar is nu urgenter geworden.

Met iedere nieuwe zelfmoordaanslag, hinderlaag of schietpartij wordt duidelijker hoe fataal een verkeerde inschatting van de situatie kan uitwerken, alle goede bedoelingen ten spijt. Want terwijl de Amerikaanse coalitie de afgelopen jaren probeerde orde op zaken te stellen in zuid-Afghanistan, is het verzet er niet verslagen, maar juist sterker geworden, schrijft de toonaangevende Amerikaanse denktank Council on Foreign Relations in een rapport dat vorige maand verscheen.

En wegens die herwonnen kracht van het verzet zullen de NAVO-troepen 'actief de strijd met de opstandelingen moeten aangaan', aldus onderzoeker Barnett Rubin van de denktank. En hij voegt er meteen aan toe: '...ook al zijn de meeste lidstaten van het bondgenootschap daarop niet voorbereid'.

Maar dat zouden ze langzamerhand wel moeten zijn. Ruim vier jaar nadat de Amerikaanse coalitie het Talibaan-regime ten val bracht, is het een sombere constatering, maar de Talibaan/Al-Qaeda-coalitie werkt met succes aan een comeback. En als je midden in het gebied zit waar dat zich voltrekt, dan moet je daar consequenties uit trekken.

Als er geen vrede is om te handhaven, dan is er voor peacekeepers geen werk. Dan verschuift het zwaartepunt van de missie noodgedwongen van wederopbouw en beveiliging naar 'actief de strijd met de opstandelingen aangaan'. Dan moet je dus in het offensief. En dan heb je het over een heel andere operatie - waar andere middelen bij horen, andere draaiboeken, andere doelstellingen en andere maatstaven voor succes. Dat vereist een fundementelere aanpassing dan 200 man extra en meer helikopters, F-16's en houwitsers sturen. Dan moet opnieuw de vraag aan de orde komen naar de haalbaarheid van de missie.

Want ook daarover zouden regeringen open kaart moeten spelen. Ook daarover moeten ze realistisch zijn. Juist omdat een goede afloop zo belangrijk is - voor Afghanistan, voor de NAVO, voor Nederland, en voor de militairen die straks over die verraderlijke wegen rijden.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad. Deze column staat met links naar de genoemde documenten op www.nrc.nl/weblog/wereld

    • Juurd Eijsvoogel