Na de vuurstorm

“Bomben-Kitsch' noemde een kritische recensent de begin vorige maand door de ZDF uitgezonden televisiefilm Dresden. De film toont het omstreden bombardement op de gelijknamige stad in een politiek correct melodrama. Centraal staat Anna Mauth, een verpleegster die verliefd wordt op een gewonde Britse piloot. Ze is het toonbeeld van onschuld en dapperheid. Met haar piloot doorstaat ze dapper de “vuurstorm' van Dresden. Naast het heldenverhaal van Anna en haar piloot wordt ook de schaduwzijde van nazi-Duitsland getoond. Fanatieke nationaal-socialisten, willekeurige executies en een geterroriseerd Duits-joods huwelijkspaar worden ingezet om het gevaar van een eenzijdig slachtofferperspectief te voorkomen.

De puinhopen van Dresden, 1945 Foto Ullstein Bild Zweiter Weltkrieg: dem Grossangriff auf Dresden im Zweiten Weltkrieg, 13. und 14.2.1945, fallen Tausende zu Opfer. In einer Strasse liegen massenhaft Leichen, die von überlebenden identifiziert werden sollen. Aus den Trümmern der Gebäude steigen Ruchschwaden von den Bränden, die die Luftangriffe ausgelöst haben, auf. Dresdner und Flüchtlinge aus Schlesien, wohl um die 1,25 Millionen Menschen, hielten sich zu der Zeit in der Stadt auf. Aufgenommen 1945. Gesperrt für TV-Produktionen. Ullstein bild

De film is exemplarisch voor de in de Bondsrepubliek toegenomen aandacht voor de eigen oorlogsslachtoffers, een tendens waarop in het buitenland vaak met gemengde gevoelens wordt gereageerd. Vooral in Engeland is men er niet blij mee dat hun oorlogshelden Winston Churchill en Arthur Harris, hoofd van het Engelse Bomber Command, door Duitsers van oorlogsmisdaden worden beschuldigd. Aan de andere kant heeft de omstreden Britse strategie van het “area bombing', waarmee specifiek op burgerdoelen werd gericht, ook in Engeland zelf morele vragen opgeworpen.

Recent is deze kwestie opgepikt door Britse filosoof Anthony Grayling. Grayling is professor aan het Birkbeck College van de Universiteit van Londen maar vooral ook een toonaangevende “public intellectual'. In zijn zojuist verschenen boek Among the Dead Cities over de geallieerde bombardementen gaat het Grayling om moraliteit. Grayling heeft zijn betoog als een rechtszaak opgebouwd. In zijn inleiding zet hij kort uiteen met welke criteria gemeten wordt, waarna hij systematisch zijn aanklacht opbouwt. Eerst worden de bombardementen beschreven en wordt het leed van de slachtoffers in beeld gebracht. Er volgt een analyse van de motieven en de ideeën die schuil gingen achter de geallieerde luchtstrategie. Vervolgens formuleert Grayling een morele en volkenrechtelijke aanklacht en geeft hij een korte samenvatting van de verdediging. Het boek eindigt met een oordeel, letterlijk onder de hoofdstuktitel “Judgement', met als eenduidige conclusie dat de bombardementen een misdaad waren.

Het gaat Grayling om de voornamelijk Britse luchtmachtstrategie waarbij het maken van burgerslachtoffers het expliciete doel van het bombardement werd, vooral na de aanstelling van Arthur Harris als hoofd van het Bomber Command in 1942. Operation Gomorrah, het meerdaagse bombardement op Hamburg in juli 1943, overtuigde de Britten van het succes van deze strategie. Hier werd voor het eerst door een juiste combinatie van explosieven en brandbommen bewust een grootschalige “vuurstorm' gecreëerd, waarbij grote delen van de stad werden verwoest. In de daarop volgende oorlogsjaren werd een groot aantal Duitse steden op deze wijze vernietigd, zoals Berlijn en Dresden maar ook kleinere stadjes zoals Würzburg en Pforzheim.

Grayling onderstreept wat historici al eerder hebben laten zien, namelijk dat “moral bombing' strategisch gezien een mislukking was. Het idee dat het bombarderen van Duitse burgers hun “oorlogsmoraal' zou breken bleek een illusie. Het argument dat stadsbombardementen meestal ook een militair doel hadden en ervoor zorgden dat het Duitse leger een significant gedeelte van zijn militaire middelen ter verdediging van steden moest inzetten verandert daar niets aan. Grayling betoogt overtuigend dat dit immers bij een alternatieve strategie van precisiebombardementen ook het geval zou zijn geweest. Het feit dat er ook militaire doelen werden geraakt rechtvaardigt in elk geval niet dat het Britse Bomber Command besloot het bombarderen van de Duitse burgerbevolking tot belangrijkste doelstelling te verkiezen.

Het is de vraag of Graylings moralistische benadering wel genoeg recht doet aan de complexiteit van de thematiek. Zijn aanklacht houdt weinig rekening met de historische context van de Tweede Wereldoorlog en met het feit dat een deel van de Britse legertop oprecht geloofde met de strategie van het terreurbombardement de oorlog te kunnen winnen. Bovendien gingen de Britten over tot het nachtelijke oppervlaktebombardement nadat gebleken was dat precisiebombardementen aanvankelijk moeilijk te realiseren waren, slechts beperkte successen opleverden en bovendien hoge verliezen onder de Britse luchtmacht tot gevolg hadden. Ook onderschat Grayling de symbolische betekenis van de stadsbombardementen.

Deze nuances nemen niet weg dat de centrale boodschap van Among the Dead Cities overeind blijft. De terreurbombardementen kunnen niet worden goedgepraat. De bombardementen op Duitsland waren te meedogenloos om ze af te doen als gepaste vergeldingsactie. Ook was het voor de geallieerden geen absolute noodzaak, maar een bewuste keuze om de Duitse burgerbevolking tot het centrale doel van de stadsbombardementen te maken. Een beperking tot concrete militaire en economische doelen had minder levens gekost en was militair gezien waarschijnlijk effectiever geweest. De terechte morele les die Grayling uit de geallieerde bombardementen trekt is dat er altijd kritisch moet worden gekeken naar de middelen waarmee een strijd gevoerd wordt, hoe gerechtvaardigd deze ook mag zijn.

A.C. Grayling: Among the dead cities. Was the Allied Bombing of Civilians in WWII a Necessity or a Crime? Bloomsbury, 361 blz. euro 35,-