Levenslust in het halfduister

Tip Marugg, de Curaçaose schrijver die deze week overleed, verbeeldde zowel de zelfvernietiging als de vitaliteit van het Zuid-Amerikaanse continent. Verslag van een bezoek aan het landgoed Pannekoek.

Het is nu zo'n tien jaar geleden. Tip Marugg woont nog in zijn huis op het landgoed Pannekoek, een half uur rijden van Willemstad. Op weg naar hem toe beland ik door inhaalmanoeuvres van roekeloze tegenliggers twee maal bijna in de stekelige berm. De openingsalinea van Maruggs debuutroman Weekendpelgrimage schiet me direct te binnen. “Mijn hoofd ligt op het stuur. Het is er met een harde slag tegenaan gekomen, maar ik voel geen pijn. Ik hoor alleen maar dat ene alles overheersende geluid, dat zoemen en gonzen, alsof zich een reusachtig insect in de wagen bevindt.'

Om dat insect en die klap zit ik niet verlegen, dus ik schakel terug en blijf onder de zestig rijden. Ik krijg nog meer waarschuwingstekens: een kat waaruit de darmen tussen vermorzelde poten liggen, een opgezwollen hond met uitpuilende ogen, een kip zo plat als een dubbeltje en een bewegingloze, zwaar verminkte geit.

Geen van die dieren kwam om het leven zoals de vogels “met gele koppen en hardgroene vleugels' in Maruggs De morgen loeit weer aan. Met die roman, verschenen in 1988, dertig jaar na Maruggs debuut, verzekerde hij zich van een benijdenswaardige plaats in de Nederlandse literatuur. In de Antilliaanse letteren had hij die al.

De verteller-hoofdpersoon aanschouwt die vogels in het vroege ochtendblauw, wanneer ze recht op de rotswand aanvliegen. “Even voor zij de stenen muur raken stijgen zij met een scherpe bocht weer omhoog, gaan rakelings langs de rotstoppen en verdwijnen in oostelijke richting, de nieuwe zon tegemoet. Maar drie of vier van de vogels remmen hun pijlsnelle glijvlucht niet af en schieten niet omhoog: zij blijven regelrecht aansuizen op de rotswand en slaan te pletter.'

Hoe indrukwekkend de beschrijving van deze zelfvernietiging ook is, belangrijker voor de thematiek van de roman is de veronderstelde reden achter dit gedrag: de vogels die sterven zijn niet meer in staat tot “het verrichten van de paringsdaad'. Het vermogen nieuw leven te scheppen en de drang daartoe winnen het van verval, verloedering en dood in de romans van Marugg.

Veelvoud van ellende

De morgen loeit weer aan verhaalt ruimschoots van dood en verderf, van een veelvoud van ellende. De hoofdpersoon verbeeldt tenslotte de totale vernietiging van het vervloekte Zuid-Amerikaanse continent. Aan het eind van de roman grijpt hij zelfs naar een geladen revolver op zijn nachtkastje. Hij lijkt zelfmoord te zullen plegen maar reeds in de eerste alinea van het boek heeft hij te kennen gegeven ondanks zijn gevorderde leeftijd nog potent te zijn. Door scènes als op de Grote Berg wordt de onverwoestbare drang tot leven overeind gehouden in de stortvloed van verrot gedrag.

Tevreden placht Marugg de zeldzame besprekingen van zijn boek onder mijn neus te schuiven, die dat, al was het maar zijdelings, uit zijn roman belichtten. De vele besprekingen die dit centrale punt misten, verdwenen in een map onder het gemompel van “weer eentje die niet kan lezen“.

Opgejaagd door achteropkomend verkeer heb ik nauwelijks oog voor de mondi, het meesttijds droge landschap van doornige struiken, cactussen en enkele door wind gekromde bomen op lage, in elkaar overglijdende heuvels. Door de regens van de afgelopen weken hullen de struiken en bomen zich in variaties groen. Daartussen, als plukken rafelende wol, grijs laaggewas en opperhout die de hitte van vele regenloze maanden niet overleefden.

Reeds in Weekendpelgrimage, maar geraffineerder nog in De morgen loeit weer aan, wist Marugg deze natuur feilloos te beschrijven. Onder zijn handen blijkt de Nederlandse taal een bodemloze schatkist met schitterende woorden en briljante woordverbindingen. Hoewel het Nederlands niet zijn moedertaal is - dat is het Papiaments - beheerst hij die taal beter dan de meeste Nederlanders.

“Je moet niet overdrijven“, tempert Marugg steevast enthousiasme daarover. “Verbazingwekkend vind ik wel dat ik die taal zo heb leren beheersen dat ik er goed in kan schrijven. Komt het door het onderwijs van de fraters, door het lezen? Niemand in mijn omgeving sprak Nederlands, behalve dan op school, de lagere school en de oude mulo.“

Als Marugg in 1989 niet alleen voor de AKO-prijs was genomineerd maar die ook had gekregen, zou dat een sprankelend betoog over “de mooiste taal in de wereld' hebben opgeleverd. Om die boodschap aan de sprekers van het Nederlands voor te leggen, had hij zeker de mondi even verlaten en het vliegtuig genomen om het publiciteitsgeweld lijdzaam te ondergaan.

De huidige samenstellers van Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal zou hij dan op beschaafde wijze hebben vervloekt, daar de nieuwste edities een deel van de oude woordenschat niet meer opnemen en laten verkommeren. “De echte, oude Van Dale“, hoor ik Marugg weer zeggen, “nam ik twee maal door toen ik op de afdeling voorlichting van de Shell-raffinaderij in Willemstad werkte. Daar was verder toch weinig zinvols te doen. Toen stuitte ik op een rijkdom waarbij de miljoenen van de olie in het niet vallen.“

Zou die AKO-prijs hem door de neus zijn geboord omdat de gedachte bestond dat Marugg een verstokte kluizenaar is en toch niet naar Nederland zou komen? Dat zou het AKO-concern onvoldoende publiciteit hebben opgeleverd en die prijs is er toch vooral voor die publiciteit?

Dit gemijmer leidt er toe dat ik echt met mijn rechterwielen van de weg in de lage berm terechtkom. Mijn hoofd slaat niet tegen het raam, maar mijn hart wel vele malen over. Het zoemen en gonzen van een reusachtig insect blijft gelukkig ook achterwege.

Het overlevingspakket dat ik voor Marugg achter in de auto heb liggen, blijft intact. De doos met boodschappen is wel omgekieperd, de koelbox met diepvriesmaaltijden verschoven, de gloeilampen in de plastic zak zijn heel gebleven.

Alcoholische drank heb ik nog nooit aangesleept; die is in elke toko op het eiland te krijgen, dus daar kan hij zelf wel aan komen. Verder zorgen andere bezoekers voor de aanvulling van zijn voorraad whisky. Ik wil ook niet het risico lopen net met drank aan te komen wanneer hij zichzelf juist voor enkele weken heeft “drooggelegd'.

Zijn lijfspreuk blijft echter onveranderlijk dat “iedereen die nadenkt over het leven alcohol nodig heeft'. En het vermogen tot de paringsdaad, natuurlijk. Deze twee pijlers van het leven werden dan ook evenzo belangrijk in zijn romans. Aan zijn poëzie ontbreekt de alcohol vrijwel geheel, maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door fijnzinnige erotische verwijzingen. In zijn Papiamentstalige gedichten wordt daar soms nog een sensueel ritme aan toegevoegd, ten dele ontleend aan Afro-Antilliaanse muziek.

Sinds de publicatie van Maruggs Dikshonario erótiko, zijn erotisch woordenboek van de Papiamentse taal, in 1992, worden de alcoholische geschenken echter langzaam maar zeker minder. “Bezoekers, zeker die uit Nederland, veronderstellen dat ik nu vooral bedwelmd moet worden met erotica in druk. Ik zou ze erop moeten wijzen, dat ik een tv en een videorecorder heb, dus dat het niet perse bij erotische geschriften hoeft te blijven. Het imago van een vies, oud mannetje lijkt mij wel wat. Maar hoe laat je dat weten?“

Dat “probleem' kan wel de wereld uit. Aan de waas waarin de beelden zich zullen hullen, kan ik echter niets veranderen. De reisplannen naar een particuliere kliniek in Venezuela of Colombia zijn vager geworden dan zijn zicht. “Als je naar Cuba gaat, ga ik met je mee. Dat eiland moet ik zien“, herhaalt Marugg, terwijl hij slechts de eindbestemming van een geplande reis verandert. Overtuigd van zijn enthousiasme om af te reizen in noordelijke richting om zich aan z'n ogen te laten opereren, ben ik niet.

Taai gras

Op het erf rond zijn huis, met de deuren, ramen en gordijnen volledig gesloten, is het taaie, bleekgroene gras overal tot een halve meter omhoog geschoten. Ook de plaats waar tot voor enkele maanden zijn oude Toyota stond weg te roesten, is inmiddels overwoekerd. Alle bomen en struiken hebben nieuw groen opgebouwd, met uitzondering van de flamboyant vlak voor de veranda. Volledig kaal is de boom een grijs, grillig standbeeld met tentakels geworden. Twee reusachtige bladcactussen staan in bloei. Met zijn gekartelde, felrode bloemblaadjes zou het een vleesetende plant kunnen zijn.

Ook al zijn de honden van Marugg al een tijd dood, ik verwacht nog steeds hun woest geblaf te horen en hun afschrikwekkend rennen en springen achter de afrastering te zien. Ik toeter luid op de afgesproken wijze en even later beweegt een gordijn. Boven het dak zie ik duiven, troepiaals en geelbuikjes wegvliegen. Ze hebben zich tegoed gedaan aan de broodkruimels, de maïsmeel en de suiker, waarvan Marugg ze elke namiddag ruimschoots voorziet. Hennetjes, hagedissen en leguanen ontfermen zich vervolgens over de restjes.

De lange, magere gestalte loopt vastberaden en expressieloos naar het hek. Ik weet dat hij mij pas op enkele meters van het hek een blik van herkenning zal geven. Zijn ooit zo scherpe zicht is weg. Toen zijn erfelijke ookgziekte toenam verdween de auto, bleven boeken gesloten en papier onbeschreven. Steeds minder vaak zie ik hem voor zijn bureau staan, met een voet op de stoel, lichtgebogen, geconcentreerde blik op een tekst.

Na de ingesleten standaardgroet in het Papiaments - “kon ta, shon?“ (hoe gaat het, makker?) - krijg ik even onvermijdelijk als vriendschappelijk te horen: “Zo, ben je daar eindelijk Ik verhonger hier langzaam maar zeker.“ Het slot wordt geopend, het sleuteltje secuur op de stenen paal gelegd en het hek geopend. Nog voor ik het pad betreed, schiet een volwassen leguaan voor ons langs, door het hoge gras de appeldamboom in.

“Schichtig komen ze op het voedsel af dat ik voor ze onder de boom leg. Het zijn er drie. Hier zijn ze veilig voor de met stokken en stenen bewapende jongelui, die ze vangen, de achterpoten breken en over de rug samenbinden en aan de kant van de weg te koop aanbieden. Vooral de mannetjes zijn in trek. Hun dubbele penis wordt geamputeerd en te drogen gelegd om later fijn gemalen en met rum vermengd te worden. Dat moet een uitstekend potentieverhogend middel zijn“, zegt Marugg.

Die woorden behoren eigenlijk zijn nieuwe roman toe, waarin de leguaan een aanzienlijke rol was toebedacht. Die roman zou er niet komen. Ik zag De morgen loeit weer aan en het woordenboek stap voor stap groeien. Daarna waren er nog een paar romanfragmenten. Toen droogde het op.

Het gordijn achter de openstaande deuren wordt door windvlagen opgebold en een schemerige ruimte wordt ontsluierd. Even lijkt dat halfduister symbolisch voor Marugg zelf, omdat het moeilijk te begrijpen valt dat hij zich niet onderwerpt aan een oogspecialist. Hij heeft zich tenslotte jarenlang volledig overgegeven aan de literatuur.

“Zo gauw dit maar enigszins mogelijk werd“, vertelde hij mij jaren terug al, “ben ik met pensioen gegaan. Dat was in 1970. Een schamel pensioentje, dat wel. Ik had toen 23 jaar in dienst van een commerciële onderneming gewerkt. Nog te veel. Maar vanaf dat moment kon ik mij uitsluitend wijden aan lezen en schrijven.“ Dat leverde prachtige jaren op.

“Aan het woordenboek ben ik het eerst begonnen, gefascineerd door de vindingrijkheid die het Papiaments tentoonspreidt. Later kwam daar De morgen loeit weer aan bij, dat uiteindelijk eerder gereed was. In de ene kamer werkte ik aan het woordenboek, in de andere aan de roman. Een fantastische wijze van werken. Ik stapte zo van de ene wereld in de andere.

“Wanneer ik in het Nederlands schrijf, ben ik een absoluut ander mens dan wanneer ik in het Papiamentu schrijf, ook al hebben die twee werelden nog zoveel met elkaar van doen. De indruk bestaat, dat ik schreef wanneer ik ladderzat was - onzin natuurlijk. Ik stond laat in de ochtend op en ging's middags aan het werk tot ver in de nacht. Drinken hoort bij de nacht. Ik kon dan ingevingen krijgen, maakte aantekeningen, maar soms lukte het mij niet eens om de volgende dag mijn eigen handschrift te lezen.“

Pijnlijk

Maruggs personages worden gekenmerkt door afschuw van het felle, tropische zonlicht, daar dit alle verval en verrotting pijnlijk nauwkeurig blootlegt. De verloedering van de natuur en van het menselijk samenleven moet worden toegeschreven aan de mens die het voorbeeld van de dieren niet wil volgen.

De dieren verzetten zich niet op krampachtige wijze tegen het natuurlijke verloop van het leven zoals wij mensen. In de roman In de straten van Tepalka verwoordt de verteller de noodzakelijke keuze voor de nacht, die wij mensen nu juist niet wensen te maken: “Wij zijn fragiele insecten, die de verlossing van verbranding door het licht verkiezen, omdat wij het gevecht niet durven aanbinden dat in het donker moet worden uitgestreden, zonder licht en zonder hoop, omdat het een strijd is met onszelf.'

Wij accepteren de onomkeerbare levenscyclus niet, storten ons in het daglicht en “verbranden' uiteindelijk toch, ondanks allerhande huidcrèmes, verjongingskuren, therapieën, esoterische praatgroepjes, kerkelijke doctrines en medisch ingrijpen.

Marugg lijkt daarentegen die strijd met en in de duisternis wel te zijn aangegaan. Wij gaan het verkeerde gevecht aan, omdat we willen zijn wie we niet zijn, met alle consequenties van dien. We moeten ons doen en laten regelen naar de omstandigheden. We moeten leren onze beperkingen te accepteren.

De resultaten van onze ongezonde vechthouding zijn inderdaad weinig verheffend, zoals Maruggs romans, vooral De morgen loeit weer aan, aanschouwelijk hebben gemaakt. De keuze zou dus niet moeilijk behoeven te zijn. Voor een romanpersonage niet, nee, maar voor mensen van vlees en bloed al eeuwenlang wel. De hoofdpersonen uit zijn romans hebben Tip Marugg echter steeds dicht op de huid gezeten.

Zijn beperkingen ten volle accepterend, zorgde de drang tot overleven er voor dat Tip Marugg eerst op zaterdag 22 april, na ruim 82 jaar, het scherpe tropische zonlicht ook niet meer kon voelen.

Aart G. Broek woonde tussen 1981 en 2001 op Curaçao, waar hij werkzaam was als beleidsadviseur voor onderwijs en cultuur. Dit artikel is een bewerkte versie van een bijdrage aan een lokale krant ter gelegenheid van de Boekenweek 1996.

    • Aart G. Broek