Kinderboeken

Is Silversteins boom een hij?

De Amerikaanse dichter Shel Silverstein tekende cartoons in Playboy, schreef superhits als “Sylvia's Mother' (voor Dr. Hook) en “A Boy Named Sue' (voor Johnny Cash), maar was voor alles de onconventionele kinderboekenschrijver.

“Er was eens een boom... en hij hield van een kleine jongen', zo begint De gulle boom (de Nederlandse vertaling van The Giving Tree uit 1964). Het prentenboek is inmiddels een klassieker in Amerika, maar Silverstein had begin jaren zestig grote moeite het gepubliceerd te krijgen. Een prentenboek met een verdrietig einde, dat lag moeilijk.

Elke dag komt een jongen bij de gulle boom langs; om een kroon van zijn bladeren te maken, aan zijn takken te slingeren, zijn appels te eten en te slapen in zijn schaduw. Maar de tijd gaat voorbij. De jongen wordt te groot om te klimmen en te spelen. Hij verkoopt de appels, maakt van de takken een huis, van de stam een boot. De boom geeft en geeft totdat hij niets meer te geven heeft. Alleen een ouwe stronk om op te zitten. “Kom, Jongen, kom zitten. Kom zitten en rust. En dat deed de jongen. En de boom was gelukkig.'

De gulle boom is een parabel over onbaatzuchtige ouderliefde en het verraad dat elk kind vroeg of laat aan zijn ouders zal plegen. Silverstein schrijft dit onontkoombare lot zo losjes op, dat het verdrietige boek gek genoeg toch troost. De liefdevolle, cartoonachtige tekeningen vertellen een eigen verhaal: als er staat “En de jongen werd ouder' dan steken achter de dikke stam opeens twee paar voeten uit.

Amerikaanse feministen spraken in de jaren zestig schande van het boek omdat Silverstein de boom vrouwelijk had gemaakt (Once there was a tree...and she loves a little boy) en zo een prototypische meester/slaaf-relatie had beschreven. Opvallend is dat Arthur Japin in de Nederlandse vertaling van de boom een “hij' maakte. Dat mag misschien een logisch gevolg zijn van het feit dat “boom' in het Nederlands een mannelijk zelfstandig naamwoord is, maar die ingreep gaat te ver. Het waarom daarvan, is voer voor interpretatie.

Shel Silverstein, De gulle boom, vert Arthur Japin, Uitgeverij Mozaïek, (al), 13,50

Anna Woltz & Wout Woltz, Post uit de oorlog, 10+, 153 blz., Leopold, 12,95

Dijkzeuls kijk op blindheid

Wat zou je liever willen zijn: doof of blind? Raaf heeft de vraag vroeger wel eens aan zijn moeder gesteld. Nu stelt hij zichzelf de vraag: wat is erger, je leven lang blind zijn of na twaalf jaar blind worden? In Blikschade vertelt Lieneke Dijkzeul hoe het leven van Raaf verandert als hij plotseling een oogziekte krijgt die hem (bijna helemaal) blind zal maken.

Dijkzeul schrijft al meer dan 15 jaar voor kinderen, maar vorig jaar viel ze opeens op met Aan de bal: over de Afrikaanse Rahmane voor wie een Europese carrière als profvoetballer de enige manier is om zichzelf en zijn familie een betere toekomst te geven. Dijkzeul gaf een rijke beschrijving van het Afrika van Rahmane, waar de jongens op blote voeten voetballen.

Raaf uit Blikschade is, net als Rahmane, een jongen die versneld volwassen wordt, omdat zijn toekomst opeens een wending neemt. Maar nu Dijkzeul een wereld dichtbij beschrijft, het eiland Texel, is haar verhaal schraal en voorspelbaar. Wie een boek leest over een jongen die blind wordt, hoopt daar observaties in te vinden die hij zelf niet bedacht zou kunnen hebben, en die dus verder gaan dan de ontdekking dat je een schelp ook kan bekijken door te voelen dat de buitenkant ribbels heeft en de binnenkant glad is. Bovendien zijn de dialogen tussen Raaf en de jongens van het blindeninstituut, die hij op het eiland ontmoet, erg uitgeschreven en uitleggerig.

Dijkzeul is wel sterk als ze de veranderende relatie tussen Raaf en zijn ouders beschrijft. Dan is de spanning onderhuids en zijn de dialogen interessant. Bijvoorbeeld in een ruzie tussen Raaf en zijn vader, waarin Raaf blijft volhouden dat hij niet naar een blindenschool wil. “Dus je schopt me het eiland af', zei Raaf schor. (...) “Klopt. (...) Ik wil dat je alle kansen krijgt die er zijn overgebleven. Ik wil dat je iets maakt van je leven, en als ik je daarvoor van het eiland af moet schoppen, dan doe ik dat.'

Blikschade is verschenen in de Lemniscaat Kids-reeks die als doel heeft jonge lezers kennis te laten maken met grote kinderboekenschrijvers. Maar wie Lieneke Dijkzeul wil leren kennen als een sober maar beeldend vertelster, kan beter Aan de bal lezen.

Lieneke Dijkzeul, Blikschade, 9+, 93 blz., Lemniscaat, 3,95

De Potter-oorlog van Woltz

Het is een mooi idee om een vader (geboren in 1932) en een dochter (geboren in 1981) een briefwisseling te laten schrijven tussen een jongen die in 1944 in Amsterdam de oorlog meemaakt en een meisje dat in 2005 worstelt met de dingen van de dag. In Post uit de oorlog schrijft voormalig hoofdredacteur van NRC Handelsblad Wout Woltz de brieven van de 12-jarige Willem die later journalist wil worden. Anna Woltz schrijft de brieven van het gymnasium-meisje Danja. Danja is net verhuisd van de Betuwe naar Amsterdam en woont nu in het huis waar vroeger Willem woonde.

Het zijn mooie brieven. Willem schrijft levendig over het dagelijks leven in een bezette stad, hoe sommigen bijvoorbeeld “dakhaas' eten en lezen bij het licht van een fietsdynamo (terwijl een familielid trapt). Danja schrijft heel lenig over puber-perikelen. Door de brieven van Willem gaat Danja haar eigen leven steeds meer relativeren. De briefwisseling verloopt via een groen metalen doosje dat Danja achter een spant op zolder heeft gevonden.

Tijdreizen is in jeugdromans een beproefd middel om het verleden levend te maken. Maar in Post uit de oorlog doen de auteurs een wel erg groot beroep op de bereidwilligheid van de lezer om mee te gaan in dit magische verschijnsel. “Willem, we zijn de nieuwe Harry Potter! Onze brieven kunnen tijdreizen! We hebben een tijdsluis/ magische poort/vouw in de tijd/tijdmachine/betoverd doosje gevonden!' zo had Danja haar eerste brief aan Willem willen beginnen, maar dat doet ze niet, want “Willem zat midden in een oorlog, en dat was belangrijker dan welke magie ook'. Als ze haar geheim later aan een vriend vertelt, zegt die: “Dat zou RTL Boulevard moeten weten, of het journaal - o nee, dat mocht niet' - en dat was dan weer dat. Nergens in het boek zoeken Danja of Willem ook maar naar het begin van een verklaring. Als Danja op het einde van het boek ook nog eens ingrijpt in het verleden, dan is dat voor de lezer een welhaast onmogelijke oefening in het opschorten van het ongeloof.

Anna Woltz & Wout Woltz, Post uit de oorlog, 10+, 153 blz., Leopold, 12,95

Verder verschenen

Marly van Otterloo schreef een vervolg op het droogkomische “Job, de ontsnapte gevangen & ander gedoe': Job, een beetje verliefd & ander gestress. Job beleeft nu een wel erg modieus avontuur (met veel ge-sms en Idols-verwijzingen), maar heeft zijn aanstekelijke zelfspot en gestoethaspel gelukkig behouden. (Terra Lannoo, 10,95)

De autobiografische roman Wie niet weg is, is gezien van Ida Vos, over een ondergedoken joods meisje, is al 25 jaar in druk. In de jubileum-editie staan jeugdfoto's van Vos, die 3 april jl. overleed, en een interview, waarin ze vertelt waarom haar boek nog steeds relevant is. (Leopold, 12,95)

    • Monique Snoeijen