Het kunsthart gekerkerd

De in een sobere, soms opzettelijk barse oude mannenstijl geschreven fictieve memoires van Remco Campert zijn van een ongekende intimiteit. Campert weet in de taal van Het satijnen hart een huiveringwekkende doodsangst op te roepen die overwonnen wordt door levensdrift. Een levensdrift of scheppingsdrang die niet te onderscheiden is van het kunstenaarschap.

Als de internationaal befaamde schilder Hendrik van Otterlo, hoofdpersoon van Het satijnen hart, gezondheidsproblemen krijgt, durft hij niet meer naar bed uit angst dat hij in zijn slaap een hartstilstand krijgt. “Sterven zonder dat je je ervan bewust bent, was mijn eer te na. Mijn geboorte had ik ook al niet meegemaakt.' Ik las deze zinnen nadat ik de net verschenen roman Alleman van Philip Roth had dichtgeslagen over een man die door precies diezelfde angst wordt gekweld. Dat boek eindigt met deze sterfscène: “Hartstilstand. Hij was niet meer, bevrijd van het zijn, het niets ingaand zonder het zelfs maar te weten. Zoals hij altijd had gevreesd.'

Het hart dat niet wil, het opstandige hart, het hart waar de liefde woont: de twee romans vertonen meer frappante overeenkomsten. Hoewel Roth het over een doorsnee Amerikaan heeft en Campert de oude dag van een gevierd kunstenaar beschrijft, komen beiden tot de conclusie dat ze niet alleen geboren zijn zonder het te weten en waarschijnlijk ook zo zullen sterven, maar dat ze gelééfd hebben zonder zich daarvan bewust te zijn.

Het is een thema dat Campert eerder uitwerkte in zijn roman Een liefde in Parijs (2004) waarin een schrijver terugkijkt op een leven dat hem door de vingers is geglipt. Hij komt daar achter tijdens een verblijf in Parijs waar hij vroeger gewoond heeft, samen met een wereldberoemd geworden schilder, die trekken heeft van Karel Appel en van Corneille. In Het satijnen hart verplaatst Campert zich in eenzelfde type succesvol beeldend kunstenaar, maar tegelijkertijd blijft hij opvallend dicht bij zichzelf.

Twee meter dood

De bijna tachtigjarige schilder Van Otterlo woont in Amsterdam-Zuid, is getekend door de Tweede Wereldoorlog waarin hij zijn beide ouders verloor. De moeder vertrok met een Canadese soldaat naar Canada, de vader, een verzetsheld, overleefde het concentratiekamp en werd onbenaderbaar. “Hij had zeker twee meter dood om zich heen', schrijft Campert, met een directe verwijzing naar het beroemdste gedicht van Jan Campert, zijn in Neuengamme overleden vader, dat begint met de strofe; “een cel is maar twee meter lang,/ en nauw twee meter breed'. Het enige overgebleven familielid van de oude schilder is zijn halfzuster Bettina, die aan het begin van de roman zijn billen wast en zijn geslacht inzeept. Verder heeft hij niemand, behalve dan zijn jeugdvriend en kunstbroeder Jongerius jr. met wie hij na de oorlog een atelier en grote verwachtingen deelde.

Jongerius jr. - zoon van een schilder die lid van de Kultuurkamer was en in de ogen van Van Otterlo een NSB-er - is even oud en beroemd als Van Otterlo, maar hij laat zich het leven niet uit handen slaan: hij demonstreert tegen elke oorlog en heeft affaires met vrouwen. De laatste affaire van Van Otterlo was met kappersdochter Cissy die hem twintig jaar eerder zonder uitleg heeft verlaten. Daarna maakte hij nog één schilderij - een zelfportret en volgens hem zelf zijn beste werk. Vervolgens heeft hij zijn atelier in Weesp afgesloten om er nooit meer terug te keren. Na Cissy's vertrek krijgt hij last van zijn hart, sluit zich op in zijn huis waar hij alleen nog maar matige tekeningen maakt.

Als Van Otterlo tegen zijn tachtigste het overlijdensbericht van de in New York gestorven Cissy onder ogen krijgt, overziet hij zijn leven, een leven waarin alles draaide om hem (de kunst) en vrouwen niets meer waren dan wegwerpartikelen. Niet alleen heeft hij zelf nooit liefgehad, ook de liefde van anderen voor hem heeft hij niet aanvaard. “Wat ben ik allemaal niet kwijtgeraakt of heb ik geweigerd te bezitten, terwijl het me toebehoorde. Ik heb veel in mijn leven veronachtzaamd. Het kwaad is geschied, het is nu te laat om daar nog sentimenteel over te worden, maar toch voel ik de spijt als een steekvlam in me oplaaien. Ik vervloek de kunst, het idee dat die belangrijker zou zijn dan al het andere, de ijdelheid ervan, de innerlijke pochhanzerij, het egocentrisme dat me zelfs belette om kinderen te verwekken en als een vader voor ze te zijn.'

Het is hetzelfde spijtgevoel dat Philip Roth' personage kwelt. Als Alleman op zijn oude dag zijn baan eraan geeft en voor zijn plezier gaat schilderen, merkt hij dat hij vast loopt omdat zijn werk niet gevoed wordt door leven. En laat dat nou precies de reden zijn waarom ook Camperts protagonist als professioneel kunstenaar vastliep. Hij weet dat er al jaren niets goeds meer uit zijn handen kwam, omdat er geen hart, geen leven in zijn schilderijen meer zat.

Hoe anders was hij begonnen! Typerend is een herinnering aan een ijzersterke serie litho's die hij kort na de dood van zijn vader in Parijs maakte en die hij “Hart en hersenen' had willen noemen. Hij vocht met het rood van die litho's dat steeds de vorm van een hart wilde aannemen. En hoe hij zich daar ook tegen verzette “het hart bleef zich barstensvol aandienen'. Als ten slotte de kunstcriticus die hem zal opstoten in de vaart der volkeren een betere titel voor de serie bedenkt, Le coeur résistant, accepteert hij dat zonder tegenstribbelen.

Verzetsgedicht

Het lijkt me een sleutelscène in het boek. Le coeur résistant verwijst naar “Rebel, mijn hart' het op één na beroemdste gedicht van Camperts vader. Het is een verzetsgedicht over een hart “gekerkerd en geknecht' dat “aan de tralies van de al-dag rukt'. In de schilder klopte toen ook nog een vurig hart dat zich niet wilde laten kerkeren. Het klopte voor de kunst, niet voor de Parijse vriendin die hij toen had, maar die zo onbelangrijk voor hem was dat hij haar naam vergat. Alleen het rood van haar dunne satijnen sjaaltje doemt soms op voor zijn geestesoog. Het “rood' dat op zijn litho's de vorm van een hart aannam was niet de kleur van rebellie maar van een lapje satijn. Vurig rood, maar slappe substantie, hart van satijn.

Maar uiteindelijk komt het gekerkerde hart in opstand. De dood van Cissy en de herinnering aan zijn niet geleefde leven geven hem zijn besef van tijd terug. “Ik zou willen dat de tijd me nog eenmaal de ruimte geeft, voor hij me definitief loslaat', heeft hij gedurende de twintig jaren dat hij niet schilderde gedacht. Nu wil hij die tijd bij de strot grijpen om zijn leven in te halen.

Anders dan Alleman van Philip Roth die moet boeten voor zijn egocentrische leven en vervuld van spijt sterft, zegeviert bij Campert de kunst. Alleman geeft het op omdat “niets nog zijn nieuwsgierigheid wekte', de schilder Van Otterlo daarentegen herleeft door een vorm van nieuwsgierigheid. “Wat verwacht ik nog van mezelf, ik brand van verlangen om dat te ontdekken'.

Dus keert de oude schilder terug in zijn atelier. Hij treft er niet alleen het verwoeste zelfportret aan maar ook een lusteloos en liefdeloos naakt van Cissy. Liefde, daaraan is hij nooit toegekomen. Hij heeft zijn hart geofferd aan de kunst en dat offer heeft zijn kunst vernietigd. Het eerste werk dat hij, gewapend met dit inzicht, wil gaan maken is een nieuw naakt van Cissy. “In warme, heldere kleuren met te late liefde geschilderd, maar kunst kent geen tijd slechts eeuwigheid.'

De onmogelijke keuze tussen kunst en leven beheerste ook Een liefde in Parijs, waarin een schrijver tot de conclusie komt dat leven per saldo het belangrijkste is. In Het satijnen hart is het omgekeerd: zonder kunst was Van Otterlo ten dode opgeschreven. De drang tot scheppen wekt hem tot leven. Zo eindigt het verhaal. “Ik ben alleen in een suizende stilte, het geluid van de kunst.'

Deze vitale roman van Campert is in meer opzichten een tegenhanger van Een liefde in Parijs. Die roman had nog een plot, terwijl die in deze prozaversie van “Rebel, mijn hart' vrijwel ontbreekt. Ook daarin lijkt dit boek op Alleman. Sommige schrijvers hebben geen intrige nodig om hun dilemma's, twijfels, angsten overtuigend over het voetlicht te brengen. Die hebben aan hun taal genoeg.

Remco Campert: Het satijnen hart. De Bezige Bij, 190 blz. euro 16,50

    • Elsbeth Etty