EU wordt derdewereldland

We moeten oppassen dat de Aziaten Europa niet gaan zien als een politieke versie van Venetië: een plaats waar je rondloopt vol weemoed om zijn vergane glorie, meent Dominique Moïsi.

Aan het einde van de 19de eeuw zagen de Europeanen Azië hoofdzakelijk als bron van inspiratie voor kunstenaars of als iets om in te lijven. De Aziaten van hun kant zagen Europa ofwel - in het Japan van de Meiji-keizer bijvoorbeeld - als een toonbeeld van moderniteit, ofwel, denk aan China, als een maatstaf voor degeneratie. Een eeuw later was, dankzij het Japanse economische wonder, althans een klein deel van Azië in Europese ogen een oord van snelle technologische en industriële vooruitgang geworden. Thans, in de eerste jaren van de 21ste eeuw, maakt het beeld van Europa in Azië, en het beeld van Azië in Europa, een ingrijpende ontwikkeling door, want de Aziatische economieën groeien sterk, terwijl de Europese Unie worstelt met een identiteits- en vertrouwenscrisis.

Vooraanstaande Aziaten, zoals de voormalige Singaporese leider Lee Kuan Yew, waarschuwen de Europeanen nu dat als zij zo doorgaan, Europa weldra hooguit nog van betekenis zal zijn voor het toerisme en voor het betere vastgoed. Een vooraanstaande Chinese zakenman, die zijn tijd verdeelt tussen Hongkong en Londen, was nog duidelijker. Op een besloten bijeenkomst van zakelijke en politieke leiders in Parijs, een paar weken geleden, zei hij: 'Europa wordt een derdewereldland, jullie besteden je tijd aan de verkeerde zaken - de grondwet, de verzorgingsstaat, de pensioencrisis - en op de vragen die jullie opwerpen geven jullie systematisch het verkeerde antwoord.'

De kijk van Europeanen op Azië in het algemeen, en op China in het bijzonder, is ingewikkelder; hij varieert van verstandig rekening houden met een nieuwe concurrent die respect afdwingt, tot ideologische afwijzing. De studenten die in mei 1968 in Frankrijk de straat opgingen om een nieuwe wereld uit te vinden, droomden -- ten minste voor een deel - van het maoïstische China, een China dat juist de gewelddadige, doelloze Culturele Revolutie doormaakte. Hun absurde, grillige bevlieging berustte enerzijds op onkunde ten aanzien van Mao's misdaden en anderzijds op landerigheid in een welvarende maatschappij die vrijwel geen werkloosheid kende.

Hun nazaten van nu uiten daarentegen openlijk kritiek op het Aziatische kapitalistische model. Gisteren was China een antikapitalistisch voorbeeld voor utopische revolutionairen; vandaag is het een ultraliberale doodsvijand voor een nieuwe generatie van utopische reactionairen - de verdedigers van de status quo in Europa. De studenten die onlangs demonstreerden in de straten van Parijs willen niet worden als de Chinezen en de Indiërs; zij wijzen de logica van de globalisering af en weigeren moeizaam verworven sociale zekerheden op te geven.

De Europese economische elites hebben een heel ander beeld van China en India. Zij hebben inmiddels heel goed begrepen dat hun ietwat postkoloniale kijk op die landen, als grote exportmarkten en onuitputtelijke reservoirs van goedkope arbeidskrachten, achterhaald is. China en India zijn serieuze concurrenten geworden, die eerbied of zelfs ronduit ontzag verdienen. De kwaliteit, prijs en levertijd in bijvoorbeeld de auto-industrie bereiken het Europese niveau. Op het gebied van de wetenschap, in de farmaceutische industrie bijvoorbeeld, heeft Europa nog een voorsprong, maar opkomende ondernemingen van wereldklasse, vooral in India, weten steeds meer afgestudeerden van het Massachusetts Institute of Technology en Harvard aan zich te binden, en handhaven daarbij de lage loonkosten en dus hun mondiale concurrentiepositie.

Helaas is het zo dat, ofschoon de Europese leiders de Aziatische uitdaging onderkennen, zij er niet in geslaagd zijn haar te benutten als ijkpunt in het onstuitbare globaliseringsproces of als sociaal-economische alarmklok. Je mag zelfs stellen dat de Europese politici - enkele uitzonderingen, onder wie Tony Blair, daargelaten - hun wereldbeeld maar traag hebben aangepast aan het revolutionaire tempo van de veranderingen in Azië. Bekneld tussen hun gebrek aan langetermijnvisie en hun obsessie met kortetermijnbelangen, zijn de Europese politieke leiders er merendeels niet in geslaagd om zich het respect van hun Aziatische tegenhangers te verwerven, dit in tegenstelling tot de Europese bedrijven, die het in Aziatische ogen veel beter doen.

Uiteraard zien de Aziaten - vanuit een werelddeel dat er merendeels niet in geslaagd is zijn verleden te verwerken en af te rekenen met het spook van het nationalisme - de Europese Unie ook vaak als een toonbeeld van verzoening, vrede en welvaart. Maar als de economische prestaties van Europa blijven teruglopen, is dat beeld dan nog te redden?

Misschien zullen de Aziaten Europa dan gaan zien als een politieke versie van Venetië: een plaats waar je rondloopt vol weemoed om zijn vergane glorie en bewondering voor zijn museale karakter.

Dominique Moïsi is oprichter van het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen (IFRI) en hoogleraar aan het Europees College in Natolin (Warschau). ©Project Syndicate