Eerst komt de vrede

De veelzijdige Britse filosoof Bernard Williams noemde zichzelf bescheiden niet meer dan een lastpak, maar zijn werk is verplichte kost voor politici en hun kiezers.

Bernard Williams Uit “Collectors Classics' Maastricht 2002 Foto Sijmen Hendriks Nederland, Tilburg, 1997 Bernard Williams, filosoof, USA. Foto: Sijmen Hendriks/Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

“De vos weet veel, maar de egel weet één groot ding,' schreef de Griekse dichter Archilochus al al in de zevende eeuw voor Christus. De Britse filosoof Bernard Williams (1929-2003) beschouwde zichzelf als een vos. Hoewel hij vooral bekend staat als ethicus, heeft hij zich met vele onderwerpen binnen de filosofie beziggehouden. In zijn laatste jaren werkte hij zijn essays over politieke filosofie om tot een boek, dat helaas nooit voltooid is. De essays zijn nu verschenen onder de titel In the Beginning Was the Deed. Daarnaast is een verzameling essays over de geschiedenis van de filosofie, The Sense of the Past, gepubliceerd, en een bundel opstellen over filosofie,Philosophy as a Humanistic Discipline.

De drie bundels vormen een indrukwekkende getuigenis van het kaliber van de filosoof Williams. Hoewel ze over uiteenlopende onderwerpen en filosofen gaan spreekt er een eenheid van visie uit die je zelden tegenkomt in de wijsbegeerte. In de bundel historische essays, The Sense of the Past, bespreekt Williams het werk van zulke uiteenlopende filosofen als Plato, Descartes, Nietzsche en Wittgenstein. Deze bonte stoet wekt verbazing; een lijst van ingrediënten voor een rampzalig boek. De geschiedenis van de filosofie is niet voor niets tegenwoordig een vak voor specialisten. Die ontwikkeling tot specialisering was een reactie op de daaraan voorafgaande periode waarin historische filosofische teksten gelezen werden, alsof ze door tijdgenoten geschreven waren met wie je in debat kunt gaan. Toch vindt ook Williams het verkeerd om Plato of Descartes zo te lezen. Dat leidt tot zotte situaties waarin iemand er op staat om het Griekse woord voor trireem te vertalen als “stoomschip', om vervolgens de Grieken te verwijten dat ze geen goede theorie over stoomschepen hebben. Historische accuratesse is noodzakelijk, maar het zou zonde zijn om niet te proberen ook iets van de geschiedenis van de filosofie te leren. En dat kan alleen, als je je niet beperkt tot het begrijpen van wat er in de historische tekst staat, maar je ook afvraagt of het waar is.

Goed gesprek

Een filosoof moet er volgens Williams achter zien te komen hoe het echt zit en, ten tweede, vindt hij ook dat de geschiedenis van de filosofie daarbij helpt. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is omstreden. Zo meent de Amerikaanse filosoof Richard Rorty dat de waarheid niet bestaat en dat daarom filosofie niet veel meer kan zijn dan het voeren van een goed gesprek. In Philosophy as a Humanistic Discipline pareert Williams die suggestie door te vragen wie dan nog geïnteresseerd zou zijn in zo'n gesprek. Waarschijnlijk alleen diegenen die daarvoor betaald worden, dus enkel academische filosofen. Als Rorty gelijk heeft, stellen die zo weinig vertrouwen in hun eigen vak dat zij geen enkel argument meer hebben om te vragen of ze mogen deelnemen aan andere gesprekken, bijvoorbeeld met politici of wetenschappers.

Ook Wittgensteins opvatting dat filosofie een therapie is voor het denken wijst Williams af, aangezien die leidt tot potsierlijke toestanden waarin zogenaamde filosofen vakwetenschappen de les gaan lezen met een beroep op conceptuele verheldering. Dit betekent niet dat de filosofie zich moet spiegelen aan de natuurwetenschappen. “Filosofie is een humanistisch vak' luidt niet voor niets de titel van een van de bundels. Anders dan in de natuurwetenschappen moet een filosoof zich afvragen hoe bepaalde theorieën en begrippen zijn ontstaan en gegroeid. Een filosoof moet weten waar hij in de loop van de geschiedenis staat en hoe dat zo is gekomen.

Dit is ook het uitgangspunt van Williams' politieke filosofie, zoals die, helaas in statu nascendi maar desalniettemin imponerend, tot ons komt in de bundel In the Beginning Was the Deed. De titel is een citaat uit Goethe's Faust, dat binnen de filosofie vooral bekend geworden, omdat Wittgenstein het gebruikte om te laten zien dat het denken van de mens is ingebed in zijn doen en laten. Bij Williams heeft het citaat een soortgelijke functie: hij heeft net als in de ethiek geen hoge verwachtingen van de effecten van politieke theorieën. “Voor wie schrijven die politieke filosofen eigenlijk?' verzucht hij herhaaldelijk. Zijn scepsis komt vermoedelijk voort uit de jaren dat hij aan de zijde van zijn eerste vrouw Shirley Williams de politiek van nabij meemaakte. Zij was één van de “gang of four' (de anderen waren Roy Jenkins, David Owen en Williams Rodgers) die in 1981 de Labour-partij verliet en de Social Democratic Party oprichtte.

Williams houdt dan ook een krachtig pleidooi voor politiek realisme. Politieke theoretici, vooral in de Verenigde Staten, nemen volgens hem telkens een morele visie op mens en maatschappij als uitgangspunt, die vervolgens door politici in de praktijk moet worden gebracht. Dit “politiek moralisme' vergeet dat iedere staat telkens opnieuw “de eerste politieke vraag' moet beantwoorden hoe orde te handhaven, bescherming te bieden, en een vreedzame samenleving in stand te houden. De manier waarop een staat daarin slaagt vormt zijn legitimatie, die faalt wanneer de staat zelf een deel van het probleem gaat vormen door groepen onderdanen te bedreigen of hun vrijheden in te perken.

Het is een historisch gegeven dat heden ten dage over de gehele wereld alleen het politiek liberalisme - in de brede Angelsaksische betekenis van de term - deze eis tot legitimatie van de staat adequaat beantwoordt. Williams' bezwaar tegen politieke theorieën is dat zij dit feit willen rechtvaardigen met morele argumenten. Sommige politici baseren hun vertrouwen in een liberale samenleving op het liberale beeld van de autonome mens die zelf zijn eigen leven vorm en richting geeft. Maar een liberale staat is iets anders dan een liberale mensopvatting; de rechtvaardiging voor een liberale staat moet politiek en niet moreel zijn. Politiek liberalisme is geboren uit angst voor tirannie of chaos, en komt niet voort uit een filosofische mensvisie.

Zelfbeheersing

Dit “liberalisme van de angst' accepteert mensenrechten als voor zichzelf sprekend, of, zoals de emeritus hoogleraar wijsgerige antropologie Theo de Boer ooit geschreven heeft, “de mensenrechten zijn sterker dan onze pogingen hen filosofisch te funderen'. Mensenrechten zijn geen vrijblijvende producten van de westerse samenleving, maar fundamentele grenzen aan de macht van de staat over het individu. Ze kunnen niet worden afgeleid van een opvatting van de mens als een autonome rechtspersoon.

In een interessant essay laat Williams zien dat dit appèl op autonomie ook tekort schiet om tolerantie te rechtvaardigen. Het probleem waar tolerantie ons voor plaatst is dat zij een diepgaand verschil van mening vooronderstelt, maar tegelijkertijd zelfbeheersing. Een tolerante houding is dus iets anders dan onverschilligheid. Wanneer tolerantie gefundeerd zou worden op het recht van ieder individu om zelf over zijn leven te beschikken, dus op de morele autonomie van de mens, is er geen reden meer om met hem of haar van mening te verschillen en dus tolerantie te kunnen tonen. Je bent pas tolerant, wanneer je een ander iets laat doen of zeggen, waar je zelf mordicus tegen bent. Om die reden meent Williams dat tolerantie gezien moet worden als een politieke waarde: de staat mag niet zijn macht gebruiken om zijn onderdanen een mening op te dringen of een bepaalde manier van leven op te leggen. Hij leidt dit rechtstreeks af van zijn politiek realisme en de daarmee samenhangende eis dat de staat voortdurend zijn bestaan in woord en gebaar moet rechtvaardigen door een vreedzame samenleving in stand te houden.

In het boek staan ook rake opmerkingen over onze tijd, zoals over medische ethiek die niet de belichaming van de rede aan het ziekbed is, maar het product van bureaucratie; of over de zelfmisleiding van politici die dagelijks voor de tv verschijnen en zodoende hun oprechtheid verruilen voor de populariteit van de entertainer; of over de neiging om de opvattingen van minderheden zo te verdraaien dat je niet langer tolerant jegens hen hoeft te zijn.

Bernard Williams was bescheiden over zijn bijdrage aan de filosofie. En passant merkt hij op dat hij slechts een lastpak is geweest voor andere filosofen. Dit nu klopt eens niet: In the Beginning Was the Deed is een diepgravend boek dat verplichte literatuur zou moeten zijn voor alle politici en hun kiezers.

Bernard Williams: In the Beginning Was the Deed. Realism and Moralism in Political Argument. Princeton University Press, 296 blz. euro 30,50