De troebelheid van een zuiver sneeuwkristal

De kracht van “Sneeuw' schuilt in het feit dat Orhan Pamuk geen partij kiest. Lees en discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub

Bij de eerste roman die ik van Orhan Pamuk las, was het meteen raak. Al na één bladzijde van Het huis van de stilte wist ik een schrijver te hebben ontdekt van wereldformaat. Achteraf is moeilijk uit te maken wat die overtuiging grondvestte. Zelfs jaren later, en met alle kennis achteraf, komt ik niet verder dan de zelfbewuste trefzekerheid van stijl, plotopbouw (meteen in het hart van intrige en sfeer) en het onmiddellijke verlangen tot aan het einde van het boek te willen doorlezen.

Sindsdien is die eerste indruk nooit gelogenstraft - al waren niet alle boeken van Pamuk even subliem. Behoort Sneeuw tot de toplaag van zijn oeuvre of zit het er net onder, zoals de road novel Het nieuwe leven? Met die laatste heeft Sneeuw de situering in het Turkse binnenland en de thematiek van het hedendaagse islamisme gemeen. Daarmee wortelt het stevig in de allesoverheersende problematiek van Pamuks boeken: de verhouding van de Turkse cultuur en geest tot het Westen.

Spannend is dat oeuvre des te meer omdat het zich zelf ophoudt op het kruispunt van die twee. In Pamuks schrijverschap dringt de oriëntatie op de westerse literaire modes en traditie zich onmiddellijk op. Citaten, vertelvormen, modernistische experimenten en het postmoderne onzekerheidsprincipe getuigen van zo'n gretig westers-literair vernuft dat het bijna vanzelf wantrouwen wekt. Wil deze virtuositeit niet te graag zijn wat het, precies daarom, net niet is?

Vaak wordt Pamuk dan ook een cerebrale gekunsteldheid verweten. Dat zou terecht zijn, als die vormdrift zou ontsporen of niets anders zou opleveren dan literaire tierelantijnen. Geen van beide is bij Pamuk het geval. De formele schoonheid van zijn boeken krijgt nooit de overhand, al komt het pure esthetische genoegen in Ik heet karmozijn en Het zwarte boek wel volop aan zijn trekken.

Dat er voor Pamuk wel degelijk een kwestie van levensbelang op het spel staat, blijkt uit de moeite die hij heeft om die vorm te redden, wanneer zijn boeken actueler en urgenter, en daarmee tegelijk complexer worden. Dat is het geval in Het nieuwe leven en opnieuw in Sneeuw (waarin een lunchroom voorkomt die naar dat eerste boek genoemd is). Pamuk laat zijn held daarin verdwalen in het verwarrende spinnenweb van Turkse trots en minderwaardigheid, die hun seculiere neerslag in het nationalisme en de religieuze in islamisme vinden. De stad Istanbul staat er tegenover de provincie (Kars), maar samen staan die weer tegenover het buitenland (Duitsland, het verbanningsoord van de hoofdpersoon Ka). En door dat alles heen blijkt een half-dictatoriale staat in een verstikkende omarming te verkeren met zijn eigen binnenlandse verzet (islamitisch of marxistisch, dat is om het even), die elkaar nodig hebben voor hun eigen legitimering.

Die kluwen probeert Pamuk manmoedig in de hand te houden door middel van literaire vormen, waarvan die van het sneeuw-thema de opvallendste is. Precies in het midden van het boek vinden we een beschrijving van het sneeuwkristal, waarvan Pamuk suggereert dat het aan zijn roman het stramien gegeven heeft. Maar welk dat is, wordt niet duidelijk, buiten het leitmotiv-achtige terugkomen van het sneeuwthema zelf. Precies daarin kondigt de verwarring zich echter al aan. Vanaf het begin staat de sneeuw voor zowel de zuiverheid (van het hart, de samenleving, de godsdienst) als de ondoorzichtigheid daarvan, waarin zich de diepste troebelheid verbergen kan.

Zo loopt het structuurprincipe van dit boek uit op zijn eigen ontbinding. Wat overblijft is de werkelijkheid in al haar ongewisse gradaties. Geen van de personages in Sneeuw is wat hij lijkt - of zelfs van zichzelf denkt. De islamist is een oud-marxist, die uiteindelijk evenzeer door verliefdheid als door religieuze ijver wordt gedreven. De seculiere vader bewondert zijn sluierdragende dochter niet om haar geloof, maar om haar verzet tegen een autoritaire staat waartegen hij zichzelf om politieke redenen verzette. En Ka zelf - misschien wel de meest onbestemde van allen - zoekt in zijn vastgelopen leven een nieuwe toekomst die hij hoopt te vinden in de liefde maar alleen ziet beklijven in een hervonden dichterschap - waarvan hij de inspiratie aan een tijdelijke religieuze bevlieging toeschrijft.

Pamuk kiest in dit boek geen partij, zo is al vele malen opgemerkt. Als romancier hoeft hij dat ook niet te doen. Wat hem gegeven is - en de criticus, politicoloog of filosoof niet - is het privilege van het singuliere geval. Hij beschrijft geen ideologieën, maar individuele personages die keuzes maken die (ondanks de schijn van het tegendeel) met principes vaak maar weinig van doen hebben. De roman maakt duidelijk wat het pamflet niet kan: dat ideeën in de werkelijkheid wel een rol spelen, maar slechts zelden die welke ze zelf pretenderen.

Op dat realisme loopt zowel de esthetische vorm van Sneeuw als het verlangen naar een duidelijk standpunt stuk. Daarom is het boek minder “mooi' dan bijvoorbeeld Ik heet Karmozijn en stemt het des te ongewisser. Is dat het falen van de schrijver? Eerder wijst het op de complexiteit van een werkelijkheid die een roman niet moet willen oplossen, maar alleen kan tonen.