Begin met de vrijwillige gevallen

NEW YORK/ AMSTERDAM. Lang had ik de uittocht uit Egypte niet gevierd. De ongelovige mens zoekt zijn houvast elders. Een paar nieuwe schoenen, een boek van een Rus, Alfred Brendel, de bemoedigende gedachte ooit getroost te zullen worden door een voltallige jaarclub. De ongelovige mens wil iets voorstellen in de maatschappij, daarom jakkert hij voort, maar wat stelt hij nou helemaal voor?

George uit Brooklyn, wiens vierde kind - het eerste uit zijn tweede huwelijk - ik verleden zomer naar de besnijder heb gedragen, schreef: “Kom bij ons de uittocht uit Egypte vieren, anders zit je maar alleen thuis en dat is op zo'n avond toch niets gedaan.

PS Kun je weer van die heerlijke taarten meenemen die je met Thanksgiving ook hebt meegebracht. Als het te veel moeite is, moet je het eerlijk zeggen.“

Om wie is het ze te doen, jou of je taarten? Het is onbelangrijk. Ik antwoordde: “Natuurlijk neem ik die heerlijke taarten mee.“

Het feest begon ten huize van George en zijn vrouw. Ik werd naast een oude man geparkeerd die meer interesse had in de gebakken aardappeltjes dan in het gebedenboek. Een jaar geleden werd ik door George nog naast zoekende vrouwen gezet. Toen meende hij dat mijn vrijgezellenbestaan zo tijdelijk zou zijn als de tocht van het joodse volk door de woestijn. Veertig jaar, en dan melk en honing.

Tegenwoordig geloven ze er niet meer in.

Ik zeg: zij die zoekende zijn, moeten blijven zoeken. Ik ben niet het eindpunt, hooguit een tramhalte.

De avond verliep niet geheel volgens de voorschriften, wat er ook mee te maken zal hebben dat het merendeel van de aanwezigen uit christenen en agnostici bestond.

Er werd als gebruikelijk op deze avond over vrijheid gepraat. De een had een citaat van Milton bij zich, een ander hield een pompeuze toespraak, een kind las een zelfgemaakt gedicht voor. De vraag werd opgeworpen of er iets anders bestond dan negatieve vrijheid. Geen onderdrukking, geen armoede, geen kijvende echtgenote, maar moest er niet ook iets aanwezig zijn om te kunnen zeggen: nu ben ik vrij.

Ongeveer op dat moment trok de oude man naast mij aan mijn mouw. De hele avond had hij zijn mond nog niet opengedaan.

Met een accent dat mij “Oxford' leek, maar dat wellicht te wijten was aan een gebit dat niet paste, vroeg hij: “Wil je mijn moeder zien?“

Wie kan tegen zo'n aanbod nee zeggen? De kaarsen flakkerden, de schaal met gebakken aardappeltjes was leeg. Waar zou hij haar verstopt hebben? Waarschijnlijk in een kamer boven, omdat ze voor het eten onwel was geworden.

Uit zijn binnenzak viste hij een portemonnee. In een geheim vakje achter vergeelde visitekaartjes werd een foto gevonden. Geen foto, een fotokopie van een foto, nog waarschijnlijker: een fotokopie van een fotokopie, geknipt op het formaat van een pasfoto.

“Daar“, zei hij, “mijn moeder.“

De gastvrouw zei: “Nu ben ik helemaal de salade vergeten. Wie wil er nog salade?“

En ik staarde naar een jonge vrouw die streng in de lens keek. “Ik heb nog dagelijks contact met haar“, zei mijn buurman.

Er zijn mensen die halverwege het diner foto's van kinderen of huisdieren tevoorschijn halen. Maar zij die onverwacht een foto van hun moedertje uit de portefeuille vissen zijn mijn vrienden.

De taarten werden opgediend. George zei: “Arnon heeft ze meegebracht, onze eigen Willy Wonka.“

In je fantasie ben je heel wat, Don Arnon ben je. Berucht en gevreesd. In werkelijkheid blijft het bij Willy Wonka. Het gat tussen fantasie en werkelijkheid is een gerieflijke slaapkamer. Sommigen komen niet meer uit die kamer. Wat vrijheid is, zullen ze nooit weten, slaven die ze zijn van de eigen verbeeldinsgkracht.

De maaltijd liep ten einde. Binnen enkele minuten waren de gasten verdwenen en toen verdween ik ook maar.

Nu kon mijn uittocht beginnen. Op eerste paasdag zou ik landen op Schiphol. Maar voor die tijd had ik met Michela afgesproken om haar te helpen met het boek dat ze wilde schrijven. Ik weet weinig meer van de tekst dan dat hij iets onthult dat misschien beter niet onthuld had kunnen worden. Maar ach, ik bied graag hulp aan.

Michela was te vroeg op de afgesproken plek. Ze meende het dus, met dat boek van haar.

“Kom je van het feest?“ vroeg ze.

“Hoe weet je dat?“

“De bazin van de massagesalon waar ik werk is een vrome jodin, haar auto hangt vol met foto's van de rabbi.“

“Masseert ze ook?“

Michela knikte.

“Michela“, zei ik, “ik geloof dat je moet kiezen tussen de rabbi en de massage, zeker als het zulke massage is die jij geeft.“

“Niemand weet het“, zei Michela.

Ik bestudeerde haar gezicht in de sfeerverlichting van een Thais restaurant op 8th Avenue. De granaatappelcocktail deed pijn aan mijn tanden.

“Ik heb“, zei ik, “jaren geleden de rabbi ingeruild voor massage. Mijn rabbi is de zachte hand van een jonge vrouw, mijn thora zijn haar billen, maar ik hang geen foto's aan de muur van mannen met baarden.“

En Michela sprak: “Ik heb aantekeningen gemaakt. Hier is de man met de zweetvoeten die altijd vraagt of ik zijn voeten wil masseren. Maar dan besprenkel ik ze eerst met alcohol, want ik laat me niet vernederen. En hier is de man die op de zwarte lijst staat. Hij belt voor een afspraak, hij komt binnen, gaat naar de wc en loopt weer weg. Elke dag gebruikt hij een andere naam. En hier is de man die belt en die zegt “ik werk op de beursvloer, kom je langs dan laat ik je alles zien?' En hier is een man die ik met een mes heb bedreigd. En dan is er nog een fotograaf die foto's van me heeft gemaakt, maar ik was zeventien, en daarna heeft mijn vader de FBI gebeld.“

Ik wreef over mijn ongeschoren wangen. “Begin“, zei ik, “met de eigenaresse van de massagesalon. Waarom hangt haar auto vol met foto's van de rabbi? Als ze zo dol is op die man, waarom heeft ze geen gezin? Wat bezielt haar dat ze in lingerie mannen masseert, terwijl de wet andere dingen van ons eist.“

We spraken af dat we elkaar in mei weer zouden zien. Zo'n schrijfproces dient in de gaten te worden gehouden. Op straat zei ze nog: “Ik heb met zesenvijftig mannen vrijwillig geslapen. Moeten die allemaal in het boek?“

“Begin met de vrijwillige gevallen“, sprak ik, “en graaf dan je geheugen af naar al die mannen die je iets minder vrijwillig tot je hebt laten komen.“

Toen vloog ik naar Amsterdam. Paaszondag. Een uitgestorven stad. Aan het eind van de dag arriveerde Marieke, mijn geliefde, die overdag op het festival Motel Mozaïque een cursus had gegeven hoe men eieren erotisch moet beschilderen.

Wij aten, wij spraken, wij namen het recente verleden door. Maar middenin de nacht werd ik wakker door gehuil.

“Wat is er?“ vroeg ik.

“Ik weet niet of ik je nog leuk vind“, zei ze.

Echt prettig is zo'n boodschap niet, want de ongelovige mens wil graag leuk worden gevonden door zoveel mogelijk mensen, omdat geen god op hem neerziet.

Maar de ervaring leert dat men zich niet druk moet maken.

“Denk er rustig over na“, zei ik.

“Dat 1-april-plan, is dat nou een grap of doen we het echt?“

Wij hebben het plan jaarlijks op 1 april met een ander naar bed te gaan. Het was Marieke's idee. Soms vindt ze de conventies prettig, maar op andere dagen drijven ze haar tot waanzin.

“Elke grap is serieus“, zei ik, “elke grap wacht erop om waarheid te worden. Hoe meer er op het spel staat, hoe dichter men de waarheid nadert.“