Al wat klein is, moet krimpen

Op de een na laatste pagina van Fijne motoriek onthult Koen Peeters wat hem voor ogen stond toen hij zichzelf de opdracht gaf een dichtbundel te schrijven. Waarnaar zou hij streven? Naar “het schrijven van korte en lange zinnen, doorgaans verstaanbaar en wat ouderwets, die over minstens twee dingen gaan en een air vertonen van onaf, nooit bang voor slordig binnenrijm en dubbelpunten en herhaling, grote gebaren en emotie [], voorts met slechts licht gemixte zinsstructuur en het woord ALS zo mogelijk mijdend. Geen pamflet, geen legendes. Nooit te kort. Noodzakelijk.'

Koen Peeters Foto Meulenhoff Meulenhoff

Dat lijkt een ferm credo, maar het is onbeholpen, zoals het referaat van een puber over grote begrippen als het Heelal en de Tijd. Peeters noemt trefwoorden, en het is verleidelijk om die als een sjabloon op zijn dichtregels te leggen, maar dat sjabloon is te rafelig, dus nutteloos. Ook in de gedichten van Fijne motoriek verraadt zich de beginnende poëet; te dikwijls is de poëzie zelf onderwerp. Zijdelings weliswaar, maar nadrukkelijk. Zoals in “Snel':

Dat soort sporen

tracht ik te meten met

een liniaal zoals de zon die trekt

vanuit het punt z wat staat voor zon

naar het punt i wat staat voor ik

een lijn die zegt wat ik moet doen:

niets moet behalve wat moet in de poëzie.

Ook na herlezing is er geen betekenis die beklijft. Als het maar ritselt en rijmelt is het een dichter, lijkt hier de boodschap.

Prozaschrijvers die zich aan poëzie wagen: het blijft een moeizame verhouding. Ook Koen Peeters is vooral prozaschrijver. Met Fijne motoriek debuteert hij als dichter, maar al in 1988 verscheen zijn eerste prozaboek, Conversaties met K., en nadien publiceerde hij nog zes andere prozawerken. Die achtergrond verraadt zich in de uitgerekte toon van zijn verzen. Die zijn inderdaad “nooit te kort'. Voor sommige dichters is dat een vloek op het genre, maar de literaire werkelijkheid heeft dat standpunt inmiddels wel achterhaald. Menig jonge dichter - Erik-Jan Harmens bijvoorbeeld - lijkt door horror vacui gedreven en oreert dus pagina's vol. Avondvullende toneelmonologen, zoals die van Ramsey Nasr en Peer Wittenbols, verschijnen als dichtbundel, en de weidse zangen van Walt Whitman zijn weer en vogue.

Wie bereid is om zich op retorische golven te laten meevoeren, ontdekt weldra dat de achtenvijftig verzen in Fijne motoriek meer bieden dan het slordige credo belooft. “Fijn' is misschien niet het juiste epitheton voor wat deze poëzie beweegt, maar naast een overvloed aan vluchtige impressies zijn er rake regels en coupletten. Memorabele beelden ook, zoals “Witte winkeltassen als ondergoed open' en “Wij zijn getalkte baby's die slapen / met leeggewaaide hoofden'.

Koen Peeters dicht over een kleine, alledaagse wereld. Veel verzen gaan over zijn jeugd in de Kempen, maar hij begint in het nu, in zijn wagen. “Autoradioweerbericht' is dan ook het eerste woord van de bundel. In Van Dale is het niet te vinden, maar het is zonneklaar en plaatst je regelrecht op de voorbank, naast de dichter. Toch vind ik Peeters' mijmeringen achter het stuur in de grootstad niet opwegen tegen de herinneringen aan zijn kinderjaren en zijn ouders. Feilloos formuleert hij de nadagen van de moeder, die “verzilvert' en de nachten doorbrengt in haar “eenslaper':

Kruiswoordraadsels, klonters vrieskou

kinderen in kleinkinderen herkend

en nooit meer van die brede tafellakengeba-ren.

Zij mijdt de krant, gedenkt het goede doel

en zal zichzelf zacht schuren, het zal nog even duren

al wat klein was krimpt al verder.

Zij wacht op een touw vooraan in de tunnel

en kromt alvast haar rug.

Zo'n couplet is “noodzakelijk'. Ontroerend ook, zoals het gedicht over de begrafenis van diezelfde moeder een snaar laat trillen. “Is iedereen binnen kun je beginnen' luidt de eerste regel, en dan volgen nog zeven regels over wat je als nabestaande in het uitvaartcentrum ervaart. Klinkt in die regels nog afstandelijkheid, in het volgende couplet neemt de moeder afscheid in taal die de huid treft.

Er is ook humor. Vooral in de tiendelige reeks “Snoepgoed Jack-Op', waarin de verschijning van de heilige maagd het kind net zo van geluk doet krijsen als wanneer het met andere kinderen op de vuilnisbelt naar etiketten van snoepgoed graaft. Maar juist in die cyclus geldt ook dat het, in weerwil van het credo, wel korter had gemogen: meer verbeeld dan verteld.

Koen Peeters: Fijne motoriek. Meulenhoff, 59 blz. euro 17,95

    • Arie van den Berg