Het nieuws van 28 april 2006

Kinderboeken

Is Silversteins boom een hij?

De Amerikaanse dichter Shel Silverstein tekende cartoons in Playboy, schreef superhits als “Sylvia's Mother' (voor Dr. Hook) en “A Boy Named Sue' (voor Johnny Cash), maar was voor alles de onconventionele kinderboekenschrijver.

“Er was eens een boom... en hij hield van een kleine jongen', zo begint De gulle boom (de Nederlandse vertaling van The Giving Tree uit 1964). Het prentenboek is inmiddels een klassieker in Amerika, maar Silverstein had begin jaren zestig grote moeite het gepubliceerd te krijgen. Een prentenboek met een verdrietig einde, dat lag moeilijk.

Elke dag komt een jongen bij de gulle boom langs; om een kroon van zijn bladeren te maken, aan zijn takken te slingeren, zijn appels te eten en te slapen in zijn schaduw. Maar de tijd gaat voorbij. De jongen wordt te groot om te klimmen en te spelen. Hij verkoopt de appels, maakt van de takken een huis, van de stam een boot. De boom geeft en geeft totdat hij niets meer te geven heeft. Alleen een ouwe stronk om op te zitten. “Kom, Jongen, kom zitten. Kom zitten en rust. En dat deed de jongen. En de boom was gelukkig.'

De gulle boom is een parabel over onbaatzuchtige ouderliefde en het verraad dat elk kind vroeg of laat aan zijn ouders zal plegen. Silverstein schrijft dit onontkoombare lot zo losjes op, dat het verdrietige boek gek genoeg toch troost. De liefdevolle, cartoonachtige tekeningen vertellen een eigen verhaal: als er staat “En de jongen werd ouder' dan steken achter de dikke stam opeens twee paar voeten uit.

Amerikaanse feministen spraken in de jaren zestig schande van het boek omdat Silverstein de boom vrouwelijk had gemaakt (Once there was a tree...and she loves a little boy) en zo een prototypische meester/slaaf-relatie had beschreven. Opvallend is dat Arthur Japin in de Nederlandse vertaling van de boom een “hij' maakte. Dat mag misschien een logisch gevolg zijn van het feit dat “boom' in het Nederlands een mannelijk zelfstandig naamwoord is, maar die ingreep gaat te ver. Het waarom daarvan, is voer voor interpretatie.

Shel Silverstein, De gulle boom, vert Arthur Japin, Uitgeverij Mozaïek, (al), 13,50

Tomadorekje

Onder de titel “Tomadorekje' klaagt Kees van Kooten (Cultureel Supplement, 14 april) dat het Tomadorekje hinderlijk tekortschoot als boekenkastje. Zijn oblong-stripboekjes staken te ver uit en voor het etaleren van de Bob Evers-reeks deugde het al helemaal niet. En de boeken die wel pasten, gleden regelmatig uit op de “gladgespoten' plankjes. Verder somt hij nog enkele bezwaren op die te wijten zijn aan het oneigenlijk gebruik van het onvolprezen Tomadopocketboekrekje. Op de verpakking van dit rekje was vermeld: pocketboekrekje, verstelbaar, 2 hangers, 3 planken, 3 handige gepatenteerde boekensteunen. Het lijkt mij dat het Tomadopocketboekrekje volkomen voldeed aan de eisen die men aan een rekje voor ongeveer 100 pocketboeken mag stellen. Toch had het rekje één bezwaar. Elke hanger had 13 horizontale spijltjes. Men kon dus de planken op de hoogten 1, 7 en 13 hangen om de maximale capaciteit te bereiken. Als er een 14de spijltje zou zijn, kon men het rek uitbreiden met 3 planken en één drager en de planken van dit tweede rek hangen op de hoogten 2, 8 en 14. Ik heb dit aan de Tomadofabriek geschreven en inderdaad hadden de latere rekjes dragers met 14 “hoogten'. Ik heb dus nu 5 Tomadorekjes met 15 plankjes en 6 dragers. (Van de 4 overgeschoten dragers heb ik er twee gebruikt voor een smal rekje met zelfvervaardigde plankjes). Hoe Kees van Kooten aan een blauwe plank is gekomen, weet ik niet. Mijn rekjes hebben ieder een rode, een gele en een witte plank. Zo is het rekje ook op de doos afgebeeld.