Revolte tegen Rumsfeld is volstrekt logisch

Als een burger als Donald Rumsfeld probeert om vanuit Washington taken uit te oefenen die traditioneel onder de strijdkrachten ressorteren, zou hij ook de consequenties moeten trekken, vindt Max Hastings.

De 'revolte van de generaals' tegen de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld heeft aan weerszijden van de Atlantische Oceaan een discussie uitgelokt over de vraag hoever protesterende militairen mogen gaan. Velen die tégen de oorlog in Irak zijn en Rumsfeld een ramp vinden, schrikken toch bij het idee dat hoge officieren, ook al zijn ze dan gepensioneerd, openlijk kritiek leveren op de politieke leiding. Maar in feite hebben gepensioneerde militairen nooit een blad voor de mond genomen over de veronderstelde blunders van de krijgsheren, al dan niet in uniform, die hen waren opgevolgd. Tijdens de Britse koloniale conflicten, in de twee wereldoorlogen en ten tijde van Korea en Vietnam, hebben bejaarde Amerikaanse en Britse militairen geregeld ingezonden brieven geschreven waarin zij deze of gene beslissing betreurden en op basis van hun staat van dienst regeringen en bevelhebbers kapittelden.

Tijdens de campagnes in Irak in 1991 en 2003 heb ik Britse chefs van staven de vurige wens horen uiten dat de veteranen van de buis mochten verdwijnen. Wij mogen aannemen dat generaal Peter Pace, het huidige hoofd van de gezamenlijke Amerikaanse chefs van staven, er niet anders over denkt.

In het verleden was er een duidelijke scheidslijn tussen de zaken waarvoor in oorlogstijd de regering verantwoordelijk was - het algemene beleid en de aanstelling van de bevelhebbers - en zaken waar de generaals over gingen: de operaties te velde. Zowel in de Verenigde Staten als in Groot-Brittannië zijn regeringen aan hun eind gekomen doordat zij de verkeerde oorlog waren begonnen of grote kwesties verkeerd hadden aangepakt - Lyndon Johnson wegens Vietnam, en de regering-Asquith in Groot-Brittannië in 1916. Maar wanneer een veldslag werd verloren, rolden de koppen van de generaals, niet van de politici.

De ingrijpende, nog steeds voortschrijdende verandering van na 1945 is dat het voeren van oorlogen op beperkte schaal een door en door politieke zaak is geworden. Burgerleiders mengen zich op steeds stelliger in wat vroeger gold als het domein van de militairen. Generaal Douglas MacArthur werd in 1951 in Korea ontslagen om zijn optreden dat niet eigengereider was dan wat in de Tweede Wereldoorlog voor hem als norm gold. De generaal had niet begrepen dat wat voor hem altijd de grondslag van zijn mandaat was geweest - wanneer een oorlog eenmaal begonnen is, moeten de politici de oorlogvoering aan de militairen overlaten - in het atoomtijdperk niet meer opging.

Maar hoever mag de politiek zich in militaire operaties mengen? Dat is de kern van de spanningen tussen de Amerikaanse militairen en Rumsfeld, en die zal in iedere oorlog terugkeren.

De militairen - en het lijdt geen twijfel dat veel officieren in actieve dienst het door hun gepensioneerde collega's uitgesproken ongenoegen delen - betwisten niet dat de regering gaat over het beleid. Wel zien zij met ontsteltenis dat politici vanuit Washington als beste-stuurlui-aan-wal oordelen over veldslagen in Irak.

De moderne communicatiemiddelen maken verregaand micromanagement mogelijk. De inmenging van minister van Defensie Robert McNamara in Vietnam is algemeen bekend; de militairen hebben zich daar indertijd verschrikkelijk aan geërgerd.

Een frappant voorbeeld van de nieuwe relatie tussen bevelhebbers te velde en regeringen deed zich voor tijdens de Falklandoorlog in mei 1982. Brigadegeneraal Julian Thompson, de hoogste Britse militair ter plaatse, wilde alleen maar een oogje houden op het Argentijnse garnizoen in Goose Green in plaats van het aan te vallen, en wilde oprukken naar Port Stanley. Maar in Londen werd het van groot belang geacht om een snel, spectaculair militair succes te boeken, om een patstelling en een door de VS opgelegd staakt-het-vuren te voorkomen. Thompson kreeg het bevel om Goose Green onmiddellijk aan te vallen, anders zou hij worden ontslagen. De Britten kregen hun overwinninkje, maar die slag werd geleverd om tegemoet te komen aan politieke behoeften, niet aan wat de militairen noodzakelijk achtten. Thompson heeft zich achteraf beklaagd over de vele uren dat hij per satellietverbinding had moeten debatteren met het hoofdkwartier 13.000 kilometer verderop, in plaats van leiding te geven aan zijn troepen. Daar heb je de vernieuwing: de technologie stelt politieke leiders in staat om zich ook te mengen in plaatselijke acties van kleine eenheden.

Er is nóg een aspect. De Amerikaanse generaals van na Vietnam zijn veel voorzichtiger met operaties in het buitenland, vooral tegen revoltes, dan hun voorgangers uit de tijd van Westmoreland - om van MacArthur maar te zwijgen. Ooit waren generaals beruchte draufgängers; tegenwoordig zijn ze als de dood voor een misslag. Het is erg wrang dat burgerideologen tegenwoordig veel gretiger zijn om troepen in te zetten dan beroepsmilitairen.

Het ziet er niet naar uit dat bevelhebbers te velde ooit weer de vrijheid van handelen zullen krijgen die zij vroeger hadden. Eliot Cohen betoogt in zijn boek Supreme command op overtuigende wijze dat niet-militaire leiders - hij noemt Lincoln, Clemenceau, Churchill en Ben Goerion - soms een beslissend elan hebben gegeven aan militaire operaties wanneer de militairen zelf het niet aankonden. Maar zijn stelling veronderstelt bij de burgerleiding een superieur niveau dat veelal ontbreekt - zoals naar de mening van de militairen ook thans in Irak het geval is. Als de bevelhebbers niet de bevoegdheid krijgen om campagnes te leiden naar het hun goeddunkt, is het onrechtvaardig om hen met de schuld op te zadelen als het fout gaat. In de nieuwe wereld lijkt de revolte van de generaals een legitieme reactie op het operationele wanbeheer van de politici.

Als een burger als Donald Rumsfeld probeert om vanuit Washington taken uit te oefenen die traditioneel onder de strijdkrachten ressorteren, zou hij ook de gebruikelijke consequenties moeten trekken. Het meest in het oog lopende voorbeeld van een politicus die verantwoordelijk was voor een militair fiasco was dat van Winston Churchill als minister van Marine. Híj had de Dardanellencampagne van 1915 op touw gezet, en híj moest aftreden.

Max Hastings is journalist en historicus en auteur van 'Warriors: the Korean War' en 'Armageddon: the battle for Germany 1944'. © LA Times/The Washington Post.

    • Max Hastings