President Bush, maak eens een praatje met Iran

Een eenzijdig Amerikaans gebruik van geweld tegen Iran zal rampzalige gevolgen hebben voor het internationale veiligheidsklimaat, menen zes oud-ministers van Buitenlandse Zaken.

Wij maken ons ongerust over de berichten dat de regering-Bush actief zou werken aan de voorbereiding van een militaire aanval op mogelijke kernwapeninstallaties in Iran. Dergelijke berichten worden door deze regering weliswaar ontkend, maar zijn toch alarmerend. Vergelijkbare berichten - en vergelijkbare ontkenningen - gingen vooraf aan de Amerikaanse beslissing om in 2003 Irak binnen te vallen. Wij erkennen het legitieme recht van Iran op kernenergie voor civiele doeleinden, mits omgeven door de geëigende internationale waarborgen. De Europese leiders hebben hun uiterste best gedaan om tot een oplossing te komen die beantwoordde aan de Iraanse behoeften aangaande energieontwikkeling en tegelijkertijd de normen in acht nam op het terrein van de non-proliferatie. Helaas weigert de Iraanse regering nog altijd in te stemmen met controleerbare beperkingen aan de ontwikkeling van alle elementen in de splijtstofcyclus, dus ook de installaties voor grootschalige uraniumverrijking, die immers gebruikt zouden kunnen worden om brandstof voor kernwapens te vervaardigen. De dreigementen en de buitensporige retoriek van de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad hebben in Israël en andere landen tot begrijpelijke zorg omtrent de Iraanse bedoelingen geleid. Ook Israël maakt zich in het kader van zijn veiligheid legitieme zorgen om de groeiende militaire slagkracht van Teheran. Hoewel deze besprekingen maar ten dele geslaagd zijn, zou een eenzijdig Amerikaans gebruik van geweld tegen Iran vermoedelijk rampzalige gevolgen voor het internationale veiligheidsklimaat hebben. Het is twijfelachtig of een 'chirurgische' luchtaanval alle Iraanse kernfaciliteiten zou kunnen vernietigen, terwijl een grootscheepse inval en een militaire bezetting van het land alom als onuitvoerbaar worden beschouwd. Ook als de Amerikaanse luchtmacht het Iraanse vermogen om kernwapens te ontwikkelen enige tijd zou weten ontregelen, zou Teheran heel goed andere middelen kunnen vinden - met inbegrip van terrorisme - om in het Midden-Oosten en daarbuiten wraak te nemen op de westerse belangen. Een dergelijk eenzijdig gebruik van geweld door Washington zou in Europa weinig steun vinden en opnieuw schade toebrengen aan de transatlantische betrekkingen, juist nu deze zich herstellen van de verdeeldheid ten gevolge van de inval in Irak. Rusland en China zouden zeker gekant zijn tegen een dergelijke stap. Zelfs de naaste Amerikaanse bondgenoten in Azië en Latijns-Amerika zouden onder de huidige omstandigheden bezwaar hebben tegen een Amerikaans militair optreden tegen Iran. Uit angst voor de gevolgen die een nog geradicaliseerder Iraans bewind op den duur voor hun veiligheid zal hebben, zouden Turkije, Egypte en andere naburige landen nieuwe redenen tot ontwikkeling van hun eigen atoomprogramma hebben, waarmee de mondiale non-proliferatie verder ondermijnd zou worden. We mogen niet uitsluiten dat de VS uiteindelijk besluiten dat militair optreden gerechtvaardigd is. Wij pleiten voor een andere koers. De mogelijke risico's van geweld zijn dermate ernstig dat wij de VS oproepen eerst een krachtige niet-militaire inspanning te leveren. Wij zijn van mening dat de regering-Bush een beleid zou moeten voeren dat ze jarenlang heeft geschuwd: een poging tot directe onderhandelingen met de Iraanse leiders over hun atoomprogramma. De regering-Bush heeft al een eerste stap gezet om met de Iraanse regering regionale veiligheidskwesties te bespreken: de Amerikaanse ambassadeur in Irak, Zalmay Khalilzad, is gemachtigd tot overleg met vertegenwoordigers van de Iraanse regering over vraagstukken met betrekking tot de toestand in Irak. Wij juichen dit besluit toe, maar roepen de Amerikaanse regering op de dialoog te verbreden en op een hoger niveau te brengen door ook een dialoog op gang te brengen over nucleaire veiligheidskwesties. Sommigen zullen de huidige Iraanse regering misschien als een onwillige gesprekspartner beschouwen. Maar alle Europese leden van onze groep hebben de afgelopen maanden onder invloedrijke Iraanse functionarissen ruime belangstelling geconstateerd voor een brede discussie met de Verenigde Staten over veiligheidskwesties. Ook regeringsleiders in Europa, Rusland en Azië zijn van mening dat rechtstreekse besprekingen tussen Washington en Teheran des te vruchtbaarder zouden kunnen blijken nu er enige vooruitgang is geboekt in de uitwisseling van de wederzijdse standpunten en zorgen tussen Europa en Rusland enerzijds en Iran anderzijds. Wij roepen de Amerikaanse regering dan ook op, hopelijk met steun van de transatlantische gemeenschap, om de stap te durven zetten een rechtstreekse dialoog met de Iraanse regering aan te gaan over het vraagstuk van het Iraanse kernprogramma.

Madeleine Albright van de VS, Joschka Fischer van Duitsland, Jozias van Aartsen van Nederland, Bronislaw Geremek van Polen, Hubert Védrine van Frankrijk en Lydia Polfer van Luxemburg. © International Herald Tribune

    • Oud-Ministers van Buitenlandse Zaken