Op zoek naar waar het verkeerde pad begint

Andries Korebrits (42) was vroeger psychiater in een selectie-instituut voor tbs'ers en daar zag hij hoe de levensgeschiedenissen van de mannen op elkaar leken. De mishandeling en de verwaarlozing die ze vanaf hun geboorte hadden ondergaan. De verkeerde vrienden die ze later kregen. De drugs, de alcohol, de diefstallen, het geweld. Waar het verkeerde pad eindigde, was hem wel duidelijk. Maar waar begon het? Kon het vervolg voorspeld worden? Wat viel er aan te doen?

A. Korebrits Foto Chris Keulen Nederland, Maastricht, 25/04/2006 Prof. dr. Andries Korebrits, kinder- en jeugdpsychiater. foto: Chris Keulen Keulen, Chris

Andries Korebrits is nu forensisch kinderpsychiater. Hij werkt in de justitiële jeugdinrichting Het Keerpunt in Cadier en Keer. Hij is ook kinderpsychiater in het Academisch Ziekenhuis van Maastricht. En hij is sinds een jaar hoogleraar forensische psychiatrie aan de rechtenfaculteit van de Radboud Universiteit Nijmegen. Morgen spreekt hij zijn oratie uit - Op zoek naar het bewijs van goed gedrag.

Het doel van zijn wetenschappelijke leven, zegt hij, is om gefundeerd onderscheid te kunnen maken tussen kinderen die crimineel zullen worden en kinderen die dat niet zullen worden. En dan gaat het om de kinderen die al voor ze vier jaar zijn gedragsproblemen ontwikkelen. Ze zijn hyperactief, impulsief, dominant, agressief. Met een op de drie loopt het slecht af. Dat worden de onbehandelbare veelplegers met wie niemand zich nog raad weet. Maar met de andere twee gaat het goed.

De jeugd, de vroege jeugd, de zwangerschap. Het begin van de problemen wordt door psychiaters en hersenonderzoekers de afgelopen decennia steeds vroeger gelegd. Kinderen kunnen in de baarmoeder al beschadigd raken door stress die het gevolg is van angst of ondervoeding of sigaretten of drugs.

Andries Korebrits gaat nog verder. Hij zegt dat het begin van de problemen er al ver voor de bevruchting kan zijn. De omgeving van mensen, zegt hij, heeft invloed op het mechanisme waardoor het DNA een gen aan of uit kan zetten. En die imprinting, zoals dat heet, kan terugkomen in het nageslacht. 'Wat jouw oma heeft meegemaakt, of jouw vader, wordt zo aan jou doorgegeven.' Dat kan liefde zijn, of agressie en mishandeling. Welvaart en rust, of oorlog en angst.

Wat Korebrits nu weet is dat imprinting en omgeving elkaar versterken. Kinderen met ouders en grootouders die veel stress ondervonden en die zelf ook nog eens veel stress ondervinden, hebben vaker gedragsproblemen dan kinderen bij wie dat niet zo is. 'De invloed van die twee samen is groter dan van elk van de twee apart.'

Een vroeg begin van stoornissen, zegt Korebrits, is dus erfelijk bepaald. 'En in theorie wordt dat effect in opeenvolgende generaties steeds groter. Met het genetische model zou verklaard kunnen worden waarom het geweld onder jongeren toeneemt en ook ernstiger wordt. Een hardere, minder coherente samenleving leidt tot meer agressief gedrag en dat gedrag wordt ook nog eens doorgegeven.'

Het goede nieuws is, zegt hij, dat het echt iets kan uitmaken als de omgeving waarin kinderen opgroeien verandert. Alleen: wat is omgeving dan precies? En wat moet er dan veranderd worden? 'Je komt dan al snel in een Balkenende-achtig debat', zegt Korebrits. Een samenleving die gebaseerd is op het 'ouderwetse, veilige model van gezin en sociale cohesie' en van 'rust en regelmaat' zou voor kinderen, denkt hij, wel eens beter kunnen zijn dan een samenleving waarin het ieder voor zich is, en waarin kinderen al heel jong worden blootgesteld aan televisie en internet, aan de drukte van verkeer en aan de 'wisselende pedagogische aanpak' van hun ouders en de leidster op de crèche.

Blijft staan dat lang niet alle kinderen daar gevoelig voor zijn. En dat twee van de drie kinderen ondanks hun erfelijke belasting geen stoornissen ontwikkelen. Alle kinderen testen op het consultatiebureau - als het al zou kunnen - zou Orwelliaans zijn. 'Het is onethisch.' En het zou overdreven zijn, omdat het om een relatief kleine groep kinderen gaat.

Korebrits zou graag genetisch onderzoek willen doen bij de jonge criminelen die hij behandelt. Maar hij denkt niet dat hij er toestemming voor krijgt. Hij zou ook graag functionele MRI-scans willen maken van hun hersenen. Maar daar geldt hetzelfde voor: onethisch.

Korebrits: 'Het is nogal lastig om jonge criminelen onder een MRI-apparaat te leggen, met een bewaker erbij. Ik kan ze er wel om vragen. Maar doen ze het dan 'vrijwillig'?'