Straten van stroop

Gisteren had mijn zoon (4) zijn eerste schoolreis. Per tram naar het museum. Als ik hem sta op te wachten, denk ik aan mijn eigen schooluitjes, lang geleden. Zomer. De geur van ranja en lauwe boterhammen met worst. En het vaste ritueel, vlak voor thuiskomst: met z'n allen onder de banken. Wat zullen ze schrikken, die ouders.

Daar komt zoons klasje aangelopen. Opgewonden geschreeuw. In één oogopslag zie ik het. Het oranje mutsje en de te kleine broek - maar mam hij zit zo lekker - en het plekje bij zijn oor en de rugzak gekregen van Sinterklaas, met Brum de superheld erop: hij is er niet.

De moeder die hem onder haar hoede had, heeft geen idee wanneer ze hem voor het laatst heeft gezien. Of hij samen met de anderen is overgestapt op tram 26 bij het Centraal Station weet ze eigenlijk ook niet. Ze glimlacht ongeïnteresseerd.

Onuitstaanbaar traag, als in een droom, ren ik naar de tramhalte. Door straten van stroop. Langs rimpelloze Vinex-grachten. Niks. “Waarom doet niemand iets“, hoor ik roepen. Ik geloof dat ik het ben. Door het mulle zand fiets ik naar het eindpunt van lijn 26. Mijn luchtpijp is een heel dun rietje waar veel te weinig zuurstof doorheen past. Een trambestuurder stopt voor de hysterische vrouw en haar omgevallen fiets. “Ik gooi het op de radio“, roept hij. Ook de politie wordt gebeld. Het beeld van een oranje mutsje op het plein voor het station. Alleen. In paniek. Trillend stap ik in de auto. Knipperlicht. Rechts. Links. Remmen.

De moeder had drie kinderen op wie ze moest letten en is mijn zoon in de tram vergeten. Een conducteur (moge liefde, geluk en rijkdom zijn deel zijn) heeft zich over hem ontfermd. Het duurt drie kwartier voor we bericht krijgen dat hij is gevonden. Ik brul als een hert in de armen van de juf.

“Mamma“, zegt zoon als hij uit de tram stapt, “Waarom is je gezicht zo raar?“ Thuis eet hij met smaak z'n bordje leeg, jaagt z'n zusje nog even vakkundig op de kast en gaat dan tevreden slapen. Ik zit nog lang op zijn bedrand en bestudeer het plekje bij z'n oor. De oranje muts hangt weer aan de kapstok. Waar hij hoort.