Sieraden van papier

Nel Linssen is 70 en ze herinnert zich dat de Mookse gemeenschap door de pastoor gewaarschuwd werd voor kúnstenaars - de vreemde en vermoedelijk ook wel goddeloze vogels die vanwege het natuurschoon waren neergestreken in Plasmolen. Haar ouders had-den deze waarschuwing niet nodig.

P.M. Linssen-Martens (Mook, 4 okt. 1935) woont in Nijmegen. Nederland, Nijmegen, 21-04-2006 Nel Linssen, Kunstenaar van Papieren sieraden. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Ze komt uit een gezin met zeven kinderen. Haar vader had een hotel-café-restaurant (de Heumense Molen, daar zit nu een Van der Valk of zoiets). Kunstenaars vormden ook in zijn gelagkamer een kolonie, en alleen daarom al werden de kinderen er weggehouden; dáár moesten ze maar geen voorbeeld aan nemen.

Maar zij, zo klein als ze was, wist altijd al dat ze naar de kunstacademie wou. “Ik zat“, zegt ze “altijd te prutsen.“ En hier wordt met prutsen nog vooral tekenen bedoeld.

Ze ging, hoewel de pastoor kwam zeggen dat het een niet-katholieke school was, naar de meisjes-hbs in Nijmegen. Maar dat kon niks worden. “Mijn agenda stond vol tekeningen.“

Toen was Jacq Maris zo goed zich ermee te bemoeien. Hij, de beeldhouwer, woonde in de buurt en had indertijd veel succes, een grote reputatie. Door zijn bemiddeling kon ze bij Chris le Roy terecht. “Die heeft me de basisprincipes bijgebracht.“ Van tekenen, nog steeds.

“Toen“, zegt ze, “mocht ik naar de avondschool, vier avonden in de week naar Arnhem. En toen, eindelijk, naar de dagschool.“ Voluit: het genootschap kunstoefening, academie voor beeldende kunst en kunstnijverheid. Afdeling “decoratief', eindexamen in 1956.

“Wat wou je worden?“, vraag ik.

“Wat ik wou worden speelde geen enkele rol. Ik vond het geweldig dat ik bezig kon zijn met het máken van dingen.“

“Maar je hebt er toch wel aan gedacht om de kost te gaan verdienen met je opleiding?“

“O“, zegt ze. “Ja. muurschilderingen misschien, of glas-in-loodramen.“

Op dansles had ze Toon Linssen ontmoet, die op de hts in Arnhem bedrijfskunde studeerde. In '58 getrouwd. Vier kinderen. hij heeft lang bij Dobbelman gewerkt, de zeepfabriek. Hij is vorig jaar overleden.

“Ik heb“, zegt ze, “me wel eens afgevraagd hoe ik me zou voelen als ik zeventig was, en nu ben ik zeventig en nu ben ik verdorie weduwe.“

Haar eigen werkterrein: toegepaste kunst. Op zeker moment maakte ze textielpanelen, wandkleden van repen stof die door een eindeloze herhaling van vormen en subtiele verschuivingen in kleur een sterk ritmisch effect kregen. In feite zie je die vormen en effecten nog steeds, alleen nu bevrijd uit het platte vlak, opgetild in de derde dimensie.

“Dat mathematische“, zegt ze, “dat ruimtelijke.... ik kan absoluut niet rekenen, op school had ik voor algebra een 3, maar voor meetkunde een 8.“

Je zou in dit verband van een creatieve ontwikkeling kunnen spreken, dat klinkt wel chic, maar zelf spreekt ze eerder van een ontwikkeling in huiselijke omstandigheden. Weinig tijd met die vier kinderen, méér toen deze het huis uit waren, en véél toen haar man met pensioen ging. “De dingen die ik maak zijn erg tijdrovend.“

Twintig jaar geleden begon ze te experimenteren met papier, armbanden van papier, halssieraden van papier. Dat wil zeggen: aanvankelijk dacht ze van papier modellen te maken die later in een ander materiaal (kunststof, lichte metalen) zouden worden uitgevoerd.

Maar juist dat papier bleek aan haar sieraden de gewenste tactiele eigenschappen te geven, juist dat papier maakte ze zo beweeglijk en veranderlijk.

Het papier is van Duitse makelij, elefantenhaut, 110 grams, zachte kleuren met een verfijnd werkje. En als je ziet wat zij daarvan maakt... de kleine werktuigjes die ze gebruikt, de bedrijvige vingers die zodra ze papier voelen beginnen te vouwen en te kneden - dan heeft dat aan de ene kant iets van buizen uit een machinepark (zulke vormen) en aan de andere kant iets van reptielen in de natuur (die kleurenrijkdom).

Zorgen, natuurlijk zorgen, er zijn altijd zorgen. “Die mooie kleuren“, zegt ze, “maken ze niet meer. Dat zal met nieuwe productiemethoden te maken hebben. Ze hadden een fantastische rode tint, die is na vijftien jaar nog fris. Maar nu, dat rode papier wordt na een week beige. Hetzelfde gewicht, dezelfde stijfheid, het laat zich even goed stansen, plakken en rijgen, maar die kleur kan ik niet gebruiken.“

Maar er is voorraad, ze kan vooruit. Draagbare sieraden, dat was de bedoeling en dat zíjn het. Maar ook zeer gewild voor musea, in Nederland, buiten Nederland, tot in Amerika toe.

“Hier“, zegt ze bij een foto van ouder werk, “ben ik nog textielkunstenaar en dáár ben ik veranderd in papierkunstenaar. Je doet gewoon wat je niet laten kunt en opeens staat de hele wereld bij je op de stoep; dat is natuurlijk hartstikke leuk.“

“En je hoeft nooit met pensioen“, zeg ik.

“Zolang mijn hoofd en mijn handen het doen, hoef ik niet te stoppen“, beaamt zij. Intussen zijn we in haar atelier, haar huiselijke werkplaats, nog iets dieper doorgedrongen in haar werkwijze, een combinatie van eindeloos herhaalde eenvoudige handelingen en buitengewoon vernuftige vindinkjes. En als zij dood is, bedenk ik nu, is er niemand meer op de wereld die dit kan maken.

“Mensen“, zegt ze, “denken dat ik gek ben op papier. Maar dit is gewoon het enige materiaal waarin het kán.“

“Voor jou is dit geen speurtocht naar het wezen van papier?“

“O nee, daar ben ik veel te nuchter voor.“

“Deze sieraden zijn geen ironisch commentaar op het goud en de edelstenen van de juwelier?“

“O nee“, zegt ze. “Er zit voor mij nergens een verhaal achter, ik ben alleen maar met de techniek bezig.“

Koos van Zomeren

'Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.