Kastenmaatschappij in aanbouw

Een kwart van de leerlingen verlaat het Nederlandse basisonderwijs met een leesachterstand van ten minste twee jaar, meldt de krant van gisteren. Dat heeft de Inspectie van het Onderwijs vastgesteld. Twintig procent van de vmbo-leerlingen beheerst het Nederlands onvoldoende om schoolboeken die speciaal voor hen zijn geschreven, zelfstandig te lezen. Het is een schrikwekkend rapport. Op één kwestie gaat de Inspectie niet nader in. Zullen deze gehandicapte kinderen hun achterstand nog inhalen?

Een jaar of tien geleden publiceerde het Max Goote Kennisinstituut van de Universiteit van Amsterdam een rapport over de “functionele geletterdheid', dat is “het beheersen van basisvaardigheden op het gebied van taal en rekenen die nodig zijn om in het dagelijks leven te functioneren“. Tien procent van het volk bevond zich toen op Niveau 1. Dat wil zeggen: meer dan een miljoen Nederlanders was op z'n hoogst in staat, “zeer eenvoudige opdrachten uit te voeren, simpele teksten te begrijpen“. Dat waren volwassenen die de school achter de rug hadden en er nooit meer zouden terugkeren. Aan hun driekwart analfabetimse zal sindsdien niet veel veranderd zijn.

Vier jaar later. Opnieuw wordt in het openbaar ontdekt dat aan het onderwijs van alles ontbreekt. Schoolgebouwen vertonen steeds meer gebreken door achterstallig onderhoud, docenten zijn onderbetaald en overspannen, universiteiten moeten bezuinigen, hoewel ze, volgens hoogleraar/columnist Bart Tromp nog bezig zijn met het uitvoeren van de bezuinigingen waartoe ze door vorige ministers waren verplicht. De voormalige ouddirecteur hoger onderwijs Roel in 't Veld doet een oproep tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Ouders krijgen de raad een proces aan te spannen om beter onderwijs voor hun kind af te dwingen. In Amsterdam heeft mevrouw Karina Schaapman een proces aangespannen tegen de school van haar zoon, dat wel gewonnen, er een boek over geschreven (Schoolstrijd, ouders op de bres voor beter onderwijs), maar, schrijft ze op 26 augustus 2000 in Het Parool, “de uitspraak veranderde het gedrag van de gemeente niet. Het personeelsbeleid is nog hetzelfde, het ziekteverzuim hoger dan ooit“.

Dan beleeft Nederland de revolutie van Fortuyn (die trouwens krasse plannen voor het onderwijs had) en de trage, tersluikse restauratie. In september 2002 maakte de minister van Onderwijs, toen ook mevrouw Maria van der Hoeven, bekend dat er 140 miljoen euro op het hoger onderwijs zou worden bezuinigd. Daarop reageerde de heer Loek Vredevoogd, voorzitter van de Universiteit van Leiden, met de mededeling dat de bodem bereikt was, en dat de universiteit, om het gat op de begroting te dempen, dan maar een paar etsen van Rembrandt uit de eigen collectie zou verkopen. De voorzitter van de Universiteit Tilburg, Yvonne van Rooy, sprak van “een kaalslag. De ondergrens is niet bereikt. Daar zijn we allang doorheen gezakt.“

Terwijl er praktisch geen dag voorbij gaat of een politicus, geleerde of grootondernemer vestigt onze aandacht op het toenemend belang van de nationale kenniseconomie, wordt tegelijkertijd verder geschreven aan het zwartboek van de recente geschiedenis van het Nederlandse onderwijs. Zoals blijkt uit de voorbeelden die ik hierboven heb gegeven, is dit geen vraagstuk van vandaag of gisteren. Alzeker een generatie hompelt ons onderwijs van vernieuwing naar vernieuwing en van bezuiniging naar bezuiniging. Dat blijft natuurlijk niet zonder gevolgen.

Ouders die zelf hebben geleerd wat ieder kind nu eenmaal moet leren - goed Nederlands, rekenen, geschiedenis en de beginselen van een paar vreemde talen - doen hun best hun kinderen naar een school te sturen die nog min of meer hetzelfde lesprogramma heeft. Als ze dat kunnen betalen. De anderen van de volgende generatie komen terecht in een of ander soort min of meer gebrekkige instelling. Wat ze daar niet leren, zullen ze de rest van hun leven als een tekort met zich meedragen. Dat is een cumulatief proces. Zo groeit uit de gebreken van het onderwijs langzaam en onvermijdelijk een nieuwe deling, tussen de weters, de minder weters en de niet-weters.

Dat is altijd zo geweest, zal men zeggen. Nee. Het praktisch analfabetisme is in ongeveer de afgelopen twintig jaar ontstaan. Er is intussen een generatie opgegroeid die naar kennis en de daarbij horende weerbaarheid verdeeld is als in een kastenmaatschappij. De bevoordeelden hebben toegang tot de snelle veranderingen. Hoe zij die waarderen en gebruiken is een andere zaak. Voor de analfabeten blijft dit alles ontoegankelijk. Maar allemaal zijn ze “mondige burgers', die laten weten wat ze van iedere toestand vinden. Allen hebben kiesrecht. En in de democratie en de vrije markt verschijnen onherroepelijk partijen die aan de eisen van de kaste der analfabeten tegemoet zullen komen. Zo kweekt het gebrekkig onderwijs geleidelijk aan nieuwe verhoudingen in de politiek en op de markt van alles wat tot de consumptie hoort.

Onderwijs is als een gletsjer die langzaam maar zeker de maatschappij binnenschuift. De tekortkomingen van toen hebben de grondslag gelegd voor onze nieuwe kastenmaatschappij in aanbouw.

    • H.J.A. Hofland