Islam is slachtoffer van leiders

Intolerante overheden in islamitische staten hebben het vertrouwen in de hervormingsgezindheid van de islam tot nul gereduceerd, betoogt Lambert J. Giebels.

De Egyptische schriftgeleerde Abu Zayd geeft als verklaring voor het uitblijven van modernisering van de islam: “Niet de islam is het probleem, maar de moslims“ (NRC Handelsblad, 14 april).

Het probleem schuilt echter niet in enkele traditionalisten onder de moslims, het probleem is dat intolerantie van overheden in islamitische staten het vertrouwen in de hervormingsgezindheid van de islam tot nul heeft gereduceerd.

Als je bij binnenkomst in Jemen erop betrapt wordt een bijbel in je bagage te hebben, dan wordt die in beslag genomen, en riskeer je bovendien een boete. Veronderstel eens dat iemand op Schiphol zijn koran zou worden afgenomen, de islamwereld was te klein. In Saoedie-Arabië is het verboden een christelijke kerk te bouwen, en is elke vorm van missie bedrijven ten strengste verboden. Intussen financiert dat land de bouw van moskeeën in de hele wereld, tot in Zuid-Amerika toe, waar de Saoediërs met geld en beloften arme boeren tot de islam proberen over te halen.

Abu Zayd acht de koloniale herinnering een van de oorzaken waarom huidige moslims zich in traditionalisme verschansen. Niettemin ziet hij de voormalige Nederlandse kolonie Indonesië als “een land waar de vernieuwing vandaan kan komen“. Het koloniale bestuur van NederlandschIndië ging zeer omzichtig om met de inheemse godsdiensten, en liet zich daarbij adviseren door islamkenners als Snouck Hurgonje. Missie en zending werden geweerd van het hindoe eiland Bali, tegenwoordig wordt met overheidssteun de ene na de andere moskee op Bali gebouwd.

Ik denk dat Zayds verwachting dat Indonesië een bron van vernieuwing van de islam zou zijn, een illusie is.

Toen ik in 1970 met Indonesië kennismaakte, heerste er in godsdienstig opzicht de tolerantie van de Pantja Sila. Dit zijn de vijf zuilen van Soekarno's staatsfilosofie, vastgelegd in de preambule van de Indonesische grondwet, waarvan de eerste luidt dat ieder vrij is zijn eigen God te dienen.

De doorsnee Indonesiër noemde zich in die tijd “moslim statistik'. Men ging vrijdags voor de gezelligheid naar de moskee, waar ook iedere niet-gelovige van harte welkom was. In de jaren daarna zag ik dat de sluiers van moslimmeisjes en vrouwen het straatbeeld gingen beheersen, en begon de agressie jegens christenen.

Tijdens het bewind van Soeharto werden honderden christelijke kerken vernield, maar ook na zijn verdwijnen ging de terreur door; in de kerstnacht van 2000 werden bij verscheidene katholieke kerken bommen tot ontploffing gebracht. Dat waren subversieve acties van moslimfanaten. Het is nu echter zover gekomen dat met de wet in de hand omwonenden niet alleen de bouw van christelijke kerken kunnen tegenhouden, maar dat ze zelfs het gebruik van bestaande kerken kunnen verhinderen. In het vroeger zo tolerante Bandung durven christenen hun kerken niet meer te gebruiken; ze houden hun diensten in huiselijke kring in de hoop daarmee agressie te voorkomen.

Westerse overheden vermijden angstvallig te protesteren tegen genoemde praktijken, omdat schending van de godsdienstvrijheid als een interne aangelegenheid wordt beschouwd.

Het wordt tijd dat ook hier het humaniteitsbeginsel gaat prevaleren boven het soevereiniteitsbeginsel, zoals dat ook wordt gehanteerd jegens Afrikaanse staten die de mensenrechten van hun onderdanen schenden.

Dr. Lambert J. Giebels is historicus.

    • Lambert J. Giebels