In Ho Chi Minh Stad heerst een ware goudkoorts

Vietnam probeert de economische koers van zijn machtige noorderbuur te kopiëren. Maar China ligt nog mijlenver voor op het land dat nu nog voor 56 procent afhankelijk is van landbouw.

Een lege schoenenfabriek in Hanoi. Volgens de Vietnamese overheid heben veel fabrieken vanwege een dumpingheffing van de EU hun deuren moeten sluiten. Foto Reuters A worker cleans the machines at an empty shoe factory in Hanoi March 23, 2006. The Vietnam Leather and Footwear Association said the industry workforce would face serious job losses due to a recent decision by the European Union to impose high anti-dumping tariffs on shoes made in Vietnam, a local newspaper reported. REUTERS/Kham REUTERS

Onverstoorbaar loopt Nuong alle frutsels van het lingeriesetje langs. Het lijkt een pesterij van de ontwerper, speciaal bedoeld voor haar en haar vijf collega's: eindeloos veel kanten verzinsels waar zij een kritisch oog langs moet laten gaan. Nuong ziet dat de set in orde is en het prijsje - 43,95 euro - kan erop.

Haar toewijding wint het gemakkelijk van haar nieuwsgierigheid voor een vreemde pottenkijker aan haar tafel. En dat geldt eigenlijk voor de meeste vrouwen en mannen achter de naaimachines, bij de snijtafels en aan de stansmachines. Hoewel je zou vermoeden dat bij een werkdag van elf uur lang, zes dagen in de week - soms ook zeven - elke afwisseling welkom moet zijn, blijkt dat niet. Onverstoorbaarheid en automatisme maken de dienst uit in deze bloedhete fabriekshal aan de rand van Ho Chi Minh Stad, voor de communistische machtsovername bekend als Saigon.

Opwinding is er daarentegen op de gang des te meer, want dit staatsbedrijf Legamex wordt geprivatiseerd. Het is onderdeel van een grootscheeps privatiseringsprogramma, waartoe de Vietnamese communistische partij al enige tijd geleden heeft besloten. Voor Legamex gaat dat als volgt: 51 procent blijft staatseigendom, 15 procent gaat naar een investeerder en 34 procent is voor het personeel - met extra aandelen naar gelang dienstjaren en hierarchie. Die personeelsaandelen zijn het gesprek van de dag. Je kunt ervoor lenen, maar het is ook een gok.

Gezeten voor een buste van de grote voorman van het Vietnamese communisme, Ho Chi Minh, vertelt de directeur van Legamex, de jonge veertiger Van Dung, over het bedrijf. Er werken 4.200 mensen, 80 procent van de textiel- en schoenenproductie is voor de export, met klinkende merken als Triumph en Walt Disney, maar ook allerlei sport- en wandelschoenen. Nee, het is helemaal geen gok. Want het personeel krijgt bij de aandelen 40 procent korting. Maar korting op wat?

Een delegatie van staatsaccountants heeft de fabriek bezocht en vastgesteld dat Legamex 74 miljard Vietnamese dong waard is, dat is 4 miljoen euro. De directeur weet hoe dit bedrag tot stand is gekomen, zegt hij, maar kan die informatie niet delen: omzet en winst bijvoorbeeld over vorig jaar? Van Dung vriendelijk: “Dat is bedrijfsgeheim.“

Vietnam is in de greep van economische dynamiek en het vroegere Saigon bevindt zich met zijn zes miljoen inwoners in het zenit van die ontwikkeling.

Een kleine 7 procent groei heeft het 85 miljoen inwoners tellende land al enkele jaren achter de rug en voor dit en volgende jaren staat minimaal 8 procent in de prognoses vermeld. De communistische machthebbers hebben de koers van hun Chinese noorderburen gekopieerd. Kapitalisme krijgt de ruimte, privatisering is het toverwoord, en de koorts van Legamex lijkt op de koorts van het land - jonge managers hebben het over geld en groei, en ook nog over voetbal, maar dan meteen weer over geld en groei. Want de voortekenen zijn goed: er heerst orde en rust, de plannen zijn bekend en de weg is vrij.

Ook de aandelenbeurs van het land is in de ban van de goudkoorts gezien de stijging van 460 naar 591 punten in één week tijd. 's Avonds op het gezellige flaneerplein bij het oude Franse stadhuis van Ho Chi Minh Stad blijkt een toevallig gesprekje zich al gauw te ontpoppen tot een kringgesprek met allemaal mensen die de afgelopen weken met 50 tot 100 dollar in de beurs zijn gestapt. Het is gekkenwerk met zo'n kleine marktkapitalisatie (nog geen 2 miljard dollar voor de hele beurs), maar Vietnamezen houden van een gokje en iedereen wil op een of andere manier part of the action zijn. Tot zover de bonanza-kant van de werkelijkheid.

De werkelijkheid van vandaag de dag is echter ook dat Vietnam ver achterloopt bij China. Het inkomen van de bevolking is nog niet eens de helft van dat van China. Landbouw is nog altijd goed voor 56 procent van de economie, in China nog maar 14. Bijna 20 procent van de Vietnamezen leeft onder de armoedegrens en wie de stad uit rijdt, ziet het ook.

Lonen liggen in Vietnam 30 tot 40 procent lager dan in China. Toen de Vietnamese overheid recentelijk per decreet liet weten dat het minimumloon in particuliere bedrijven 47,50 euro per maand zou gaan bedragen, brak er in een Taiwanees textielbedrijf vlakbij Ho Chi Minh Stad een staking uit. “Het was een spontane staking“, zo vertelt een hoge ambtenaar van het ministerie van Industrie, “niet om die 931.000 dong, maar omdat de Taiwanese eigenaren dat nogal veel vonden“. Het is een uitzonderlijke ontboezeming, want Vietnam gaat prat op arbeidsrust en discipline en beschouwt dat ook als een verkoopargument.

De zeer lage lonen in combinatie met toegewijde arbeidskracht hebben de laatste jaren textiel- en schoenindustrie naar de productiehallen van Vietnam gedreven. Anders dan in China gaat het nog niet om technologische producten van betekenis, maar om oude industriegoederen. Maar de eerste stappen zijn gezet met Sony, Canon, Samsung en recentelijk chipmaker Intel.

Voor dit type investeringen zijn lage lonen maar één aspect in de afweging. Infrastructuur, vervoer, opleidingsniveau van personeel, betrouwbaarheid van de overheid tellen allemaal mee. De leergierigheid van Vietnamees personeel wordt alom geprezen, maar de achterstand is nog groot. De Vietnamese overheid is daarom druk doende om gevluchte Vietnamezen van de afgelopen twee decennia tot terugkeer te bewegen. Jarenlang golden die 2,5 miljoen mensen als verraders van de natie, maar o hun kennis en dollars wordt inmiddels voor hen de loper uitgelegd.

In Vietnam is grote onrust ontstaan nu de Europese Unie een extra heffing van 7,9 procent op leren schoeisel heeft gezet wegens dumpingpraktijken van het land. In oktober volgt nog zo'n heffing, als Vietnam de dumping niet staakt.

Terug naar Legamex, waar de zorg over deze heffing groot is en logischerwijze schande wordt gesproken. Op de boekhoudafdeling, waar de meeste bureaus nog computerloos zijn, rekent iemand voor dat een schoen voor een Europees merk - een naam willen ze liever niet noemen - per paar voor 5 euro de fabriek verlaat. “Kijk“, zegt de afdelingsmanager schoeisel, “als dat 1 euro duurder wordt, zijn we de klant misschien kwijt.“

Deze angst is ook de prijs die hij en zoveel Vietnamese productiebedrijven betalen voor jarenlange reclame met de laagste lonen in Azië. Ze hebben daarmee eerst de producenten van B-merken en prijsvechters aangetrokken en toen alom de tevredenheid groot was, meldden zich de betere merken vervolgens ook voor diezelfde goedkope tarieven. Want zes dagen per week, 11 uren per dag stevig doorwerken bij Legamex met een maandloon van tussen de 68 en 75 euro is ook voor een A-merk verleidelijk als er deugdelijk werk wordt afgeleverd.

    • Ben Knapen