Wees niet bang voor een islamdebat

Nederlanders blijven een volk van dominees met één waarheid. Ook over de islam. Het WRR-rapport verdient een betere discussie, menen Grethe van Geffen en John Grin.

Minderheden kunnen hun zelfbeeld slecht medebepalen doordat ze gebrek hebben aan een “hoger intellectueel kader'. “Door een gebrek hieraan missen etnische minderheden kennis van de materie, het intellectuele gezag en de toegang tot de media om adequaat te participeren in het publieke debat“, aldus Ruben Gowrichan in Opinie & Debat van 22 april.

Was het maar zo simpel als Gowrichan stelt. Echter, in het Nederland anno 2006 blijken ook gezaghebbende “autochtone' instituten nauwelijks een ander perspectief in het publieke debat in te kunnen brengen. De heftige politieke reacties op het WRR-rapport “Dynamiek in islamitisch activisme' legden een dynamiek in het Nederlandse klimaat bloot waarop minderheden niet gemakkelijk invloed kunnen uitoefenen.

We dachten klaar te zijn in Nederland. Maar nu zijn daar dan de moslims, die alles weer ter discussie stellen. We dachten heel wat bereikt te hebben en nu zouden we weer van voren af aan moeten beginnen? Vanuit dit licht bezien is het islamitisch activisme een grote bedreiging voor verworvenheden waaraan de meeste Nederlanders zeer hechten. Burqa's staan symbool voor de achterlijkheid van islamitische normen en waarden, terwijl terreurdaden onderstrepen tot welke mate van verschrikking de aanhangers van islamitisch activisme in staat zijn.

Terecht constateert politiek commentator Hans Goslinga in Trouw van 22 april dat het vermogen om wat afstand te nemen al een tijdje ontbreekt in de Nederlandse politiek. “Nog voordat het [WRR rapport] was geland, was het al aan flarden geschoten en ontspon zich een debat over de vraag of het instituut zelf wel deugde. Dit lot bevestigde op paradoxale wijze de bevinding van de WRR dat de communicatie over “de islam' nog altijd verloopt via heftige beelden en sjablonen. Wantrouwen en angst hebben in het politieke en publieke debat de overhand, het ontbreekt aan kennis en daardoor aan zicht op ontwikkelingen in islamitische landen die aanknopingspunten kunnen bieden voor een buitenlandse politiek om democratie en mensenrechten verder te helpen“, aldus Goslinga.

Hoe begrijpelijk het ook is dat in Nederland het islamitisch activisme als buitengewoon beangstigend wordt ervaren, dat hierover echter geen redelijk debat meer mogelijk is, is evenzeer beangstigend. Het maakt ons kwetsbaar voor irrationeel handelen en populistisch leiderschap.

Kamerleden als Geert Wilders doen precies hetzelfde als het WRR-rapport een aantal leiders in met name Arabische islamitische landen verwijt: zij gebruiken het islamitisch activisme om hun eigen invloed te vergroten en hun machtspositie te bestendigen. De angst van het volk is daar en hier groot genoeg om het oor naar hen te laten hangen.

Voeg daarbij een pers die in de Arabische landen meestal onder controle staat van machthebbers en die hier vaak meer aandacht geeft aan sensatie en extreme standpunten dan aan nadenken en nuance, en we hebben een verzameling factoren die eerder leiden tot polarisatie dan tot samenwerking.

De meerderheid van de Nederlandse burgers houdt oprecht van deze maatschappij en van de verworven rechten en verhoudingen. Wij kunnen ons echter niet opsluiten in eigen land en zeggen: “Laat de moslimlanden maar terugkomen als ze ook zover zijn.“ Het aldus vermijden van het debat kan slechts tot polarisatie leiden, ook met de 800.000 islamitische medeburgers in eigen land.

Het WRR-rapport pleit ervoor dat wij de diversiteit erkennen in de interpretaties van de manier waarop de islam zich verhoudt tot politiek, democratie en mensenrechten, en daarop ons beleid baseren. De heftige reacties op het rapport duiden er echter op dat wij die diversiteit blijkbaar liever niet zien; de behoefte is groot ons eigen, eenduidige, behapbare beeld van wat de activistische islam is, te behouden.

De afgelopen week heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat de decennialange politieke correctheid aan het eind van de vorige eeuw niet is verdwenen, maar slechts van kleur is verschoten.

Eerst was er de onaantastbaarheid van de multiculturele samenleving en over allochtonen mocht geen verkeerd woord gezegd worden. Nu is iedereen die enige nuance aanbrengt in het debat over de islam, welhaast een staatsvijand die niet onder ogen ziet hoezeer die achterlijke islam een bedreiging vormt voor onze democratie.

Oude wijn in nieuwe zakken dus, we blijven een volk van dominees met maar één waarheid. De uitdaging is niet zozeer om de echte waarheid te vinden, maar om de discussie behoorlijk te leren voeren.

Gowrichan meent dat minderheden zelf “de belangrijkste veroorzakers van de negatieve beeldvorming“ zijn. Als wij zien hoe het de WRR vergaat in zijn poging beelden te beïnvloeden, dan vragen wij ons af wat het - overigens wel degelijk zeer aanwezige - allochtone intellectuele kader nog te zoeken heeft in dit verstikkende klimaat.

Grethe van Geffen is directeur van Seba cultuurmanagement B.V. en columnist. John Grin is hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.

    • Grethe van Geffen
    • John Grin