Uithongering

Het moet een jaar of vijf geleden zijn dat ik er voor het eerst van hoorde. De toenmalige Vlaamse profrenner Chris Peers, een aardige subtopper, zat voor de gelegenheid als ervaringsdeskundige in het commentatorenhokje, en babbelde er ongeremd op los. Ik herinner me niet meer tijdens welke koers het was, maar ik herinner me des te beter dat hij ons inzicht verschafte in zijn eetgedrag: Chris Peers was van plan een aantal kilo's af te vallen en daartoe had hij zichzelf op een caloriearm dieet gezet. Via Peers kwamen wij aan de weet dat het ganse peloton zich in een vermageringsslag had gestort. Iedere molecuul vet kon het verschil uitmaken tussen winst of verlies.

Ik vond dat raar, een vermageringsdieet voor wielrenners. Het ging hier natuurlijk om een aberratie, een hype of bijgeloof, waar men wel van terug zou komen. Vermageren doet de wielrenner immers niet aan tafel maar gewoon, op de fiets. Dat gaat helemaal vanzelf, professioneel wielrennen vreet nou eenmaal meer calorieën dan een paar borden spaghetti kunnen leveren. Wie te weinig benzine tankt is rap gezien, en wie te vaak verzuimt te tanken duikelt in een ravijn waar hij van z'n levensdagen niet meer uit zal klauteren.

Tot mijn niet geringe verbazing las ik in De Limburger van afgelopen zaterdag dat de vermageringscultus nog in alle hevigheid woedt. De term “eetstoornis' valt, en Bram Tankink, die zichzelf op het nippertje van de obsessie met zijn gewicht wist te bevrijden, wordt geciteerd. “Als je er goed over nadenkt, is het compleet belachelijk om je na een zware training vol te proppen met alleen maar sla. Mijn lichaam schreeuwde om koolhydraten, maar ik wilde er op dat moment niet aan toegeven.“ Tankink droomde er van zichzelf iets comfortabeler over de cols te hijsen. “Wielrennen is balanceren op het slappe koord“, zegt hij dan. Hij wil geen namen noemen, maar hij kent renners die volgens hem volledig “de weg kwijt zijn“.

Dokter Geert Leinders van de Rabobank vindt het normaal dat renners obsessief met hun gewicht bezig zijn. Hun inkomen wordt er immers door bepaald. “Je mag lijnende renners niet vergelijken met normale mensen. Een renner valt alleen af om beter te presteren, niet om te voldoen aan een schoonheidsideaal.“ Leinders erkent dat er een “kritische grens“ bestaat. Zijn renners mag hij graag voorlichten over de voor- en nadelen van gewichtsverlies, maar “de renner bepaalt zelf hoe ver hij wil gaan“.

Als er een kritische grens bestaat, dan moet die exact samenvallen met het ideale gewicht. Maar hoe bepaalt de renner zijn kritische grens? Mijn generatie had het makkelijk: opeens stond je scherp, het ideale gewicht kwam als het ware uit de lucht vallen.

De magistraat van het vetpercentage blijft Joop Zoetemelk. Joop bereikte in februari zijn kritische grens en einde oktober was hij nog altijd in evenwicht. Van een dieet had hij nog nooit gehoord. Wat zou Joop vinden van de moderne uithongeringsslag? “Pfff, ze pieken te veel en koersen te weinig.“