Rechter verdacht van doodslag

Een 48-jarige raadsheer bij het Leeuwarder gerechtshof staat volgende maand terecht voor de rechtbank in Zwolle wegens poging tot zware mishandeling of poging tot doodslag. De rechter wordt erv door justitie van verdacht in oktober 2004 in zijn woonplaats Groningen zijn vriendin ernstig te hebben mishandeld.

Dit bevestigt het openbaar ministerie Zwolle-Lelystad. De raadsheer is vorig jaar april aangehouden. Hij kwam drie dagen later op vrije voeten. Het openbaar ministerie ging hiertegen in beroep, maar de rechtbank bepaalde dat de rechter niet in voorlopige hechtenis hoefde blijven. Wel moest hij zich beschikbaar houden voor onderzoek.

President J.C. van Dijk van het gerechtshof Leeuwarden verklaart dat hem in januari 2005 bekend werd dat zijn raadsheer verdacht werd van een strafbaar feit. “Daar waren we niet zo blij mee. Dit schaadt het aanzien van de rechterlijke macht.“ De raadsheer had Van Dijk niet ingelicht over het feit. “Hij sprak zelf van een incident“, aldus Van Dijk. “Maar als je verdachte bent in dergelijke gevoelige materie moet je dat direct melden.“

De rechter heeft tussen het tijdstip waarop hij het misdrijf zou hebben gepleegd en het bekend worden daarvan op het ressort Leeuwarden nog zaken behandeld, geeft Van Dijk toe. In overleg met de raadsheer werd in januari vorig jaar besloten dat hij op non-actief moest worden gesteld, aldus Van Dijk.

In juni 2005 besloot de procureur-generaal bij de Hoge Raad hem te schorsen, nadat Van Dijk daar melding van de zaak had gedaan. De rechter, die ongeveer vijf jaar bij het Leeuwarder hof werkte, nam begin dit jaar zelf zelf ontslag. Dit wordt hem per 1 mei verleend. De Hoge Raad bepaalde dat de Zwolse rechtbank de zaak moet behandelen.

President Van Dijk ontkent dat het gerechtshof de zaak bewust stil heeft gehouden. “We hebben erover nagedacht om dit zelf naar buiten te brengen, maar besloten dit toch niet te doen. Geen enkele werkgever met een werknemer die verdacht wordt van een misdrijf meldt dit zelf actief. Maar als ernaar gevraagd werd, zouden we het niet ontkennen.“