Kans op een burgeroorlog in Irak is groot

In 1975 hebben journalisten het begin van de burgeroorlog in Libanon niet zien aankomen. Maar wat zich nu in Irak afspeelt is nog veel erger. We mogen het zwartste scenario nu niet meer uitsluiten, vindt David Hirst .

Woedt een burgeroorlog in Irak? Donald Rumsfeld, de Amerikaanse minister van Defensie, zegt van niet. Zalmay Khalilzad, de Amerikaanse ambassadeur in Irak, geeft toe: “Er is kans op.“ Maar de voormalige Iraakse premier Ayad Allawi zegt stellig: “Als zestig doden per dag geen burgeroorlog is, wat dan in vredesnaam wel?“

Burgeroorlogen worden meestal niet “verklaard'; ze komen sluipenderwijs. Het is niet zo vreemd dat buitenlandse journalisten - onder wie ik - zich diezelfde vraag telkens weer hebben gesteld toen in 1975 de eerste botsingen tussen verschillende gemeenschappen zich voordeden in Libanon. De aanvankelijk sporadische, op zichzelf staande incidenten namen gestaag toe in omvang en intensiteit, en naderden meer en meer het hart van de hoofdstad Beiroet. Toch hebben velen van ons maanden geaarzeld om de zwartste conclusie te trekken, zo zeker wisten wij dat dit alles, in de kosmopolitische, pluralistische Levantijnse stad die wij zo goed kenden, hooguit een ontsporing kon wezen en dat de toenemende waanzin binnenkort wel rechtsomkeert zou maken.

Nu is duidelijk wat een naïeve optimisten wij toen waren. En in het licht van die gebeurtenissen is iemand als ik nu misschien geneigd tot overdreven pessimisme bij de aanblik van wat zich thans in Irak afspeelt: de gestage toename van wat in Libanon “identiteitskaartmoorden' heetten; de “vliegende wegblokkades' die door milities her en der in de stad worden opgezet en waar dit soort sektarische gruweldaden naar volstrekte willekeur plaatsvonden; de veelvuldige moordpartijen tussen de verschillende gemeenschappen in de armere, recent gebouwde, religieus gemengde buitenwijken rond de hoofdstad; de medeplichtigheid van soldaten van het nationale, multi-sektarische leger aan de activiteiten van de sektarische milities.

In Irak vinden niet alleen dit soort zaken plaats op naar verhouding zeker dezelfde schaal als indertijd in Libanon - waarbij het zelfs nog barbaarser toegaat - maar er gebeuren ook al andere dingen - bomaanslagen op heiligdommen bijvoorbeeld - die zich in Libanon zelfs in de donkerste dagen nauwelijks hebben voorgedaan. Sinds de Amerikaanse inval zijn Arabische commentatoren, in hun verontrusting over de ontwikkelingen in Irak, steeds op zoek geweest naar parallellen - in Vietnam, Somalië, Algerije, Cyprus, de Balkan - maar Libanon is veruit favoriet. En wanneer zij de “libanisering' van Irak voorspellen, kijken zij bijna vanzelfsprekend ook naar de implicaties voor de Arabische wereld als geheel. Want het is een axioma dat een brand in het ene Arabische land veel kans maakt om naar elders over te slaan.

Uiteindelijk is de brand in Libanon niet overgeslagen; de Arabische Liga heeft hem, met hulp van de rest van de wereld, onder controle gekregen en ten slotte weten te blussen.

Maar zal dat geluk ons nogmaals beschoren zijn in het geval van een zo belangrijk, zo cruciaal land als Irak? “Irak“, zo schreef Ghassan Charbel in de pan-Arabische krant Al Hayat, “heeft een centrale plaats in het bewustzijn van de Arabieren en in hun calculaties voor de toekomst. Het is tot in zijn diepste vezels verbonden met de Arabieren. De pijn en de hoop van Irak stoppen niet bij grenzen op de kaart. Er zijn veel factoren die het onmogelijk maken voor Irak om op eigen houtje zelfmoord te plegen.“

Eén van de oorzaken waardoor de oorlog in Libanon zich niet heeft verbreid, was dat Libanon geen typisch Arabisch land was. Het voornaamste front van die oorlog liep tussen de van oudsher militante maronitische christenen en andere sekten: sunnieten, druzen, shi'ieten. Maar in de Arabische wereld als geheel zijn er zo weinig christenen - en amper maronieten - dat de oorlog in Libanon elders nooit een vergelijkbare confrontatie had kunnen uitlokken.

Irak daarentegen is - of was - zowel wat het type bewind als wat de identiteit van de voornaamste betrokkenen betreft, veel representatiever voor de Arabische wereld in ruimere zin. Saddam Hussein was het toonbeeld van de Arabische dictator, met sektarisme, in de gedaante van overheersing door de sunnieten, als zijn voornaamste wapen.

Een bloedig verdeeld Irak zou de Arabische anarchie bij uitstek worden, een belichaming van de twee meest ontwrichtende, naar het verleden terughakende, maar velen aansprekende krachten in het huidige Midden-Oosten: sektarisme en ideologisch islamisme.

Het is in het Arabische debat hierover zo langzamerhand een cliché dat de lijdensweg van Irak uiteindelijk heel goed de afmetingen zou kunnen krijgen van de Midden-Oostenregeling van na de Eerste Wereldoorlog, toen de situatie voor het laatst volkomen door elkaar is geschud. Bij die naoorlogse regeling - hoofdzakelijk op basis van de Sykes-Picot-overeenkomst, het geheime Brits-Franse akkoord uit 1916 over de verdeling van het territorium onder de koloniale mogendheden - zijn in kolonialistische trant naar willekeur grenzen getrokken zonder rekening te houden met de bestaande, meer natuurlijke etnische, sektarische, stammen- en commerciële lijnen.

Zeker voor sommigen in de regio zal de nieuwe omwenteling “rechtzetten' wat toentertijd is scheefgelopen.

Hoe zal de brand dan om zich heen grijpen? Syrië - ooit de omstreden kern van Sykes-Picot en wat historische ervaringen betreft de naaste parallel van Irak - loopt het grootste gevaar. Het staat namelijk als enige buurland van Irak bloot aan zowel het etnische als het sektarische aspect van de besmetting die van Irak uitgaat.

De Syrische Koerden bespeuren bij hun eigen, met grote moeilijkheden kampende Ba'athistische regime eenzelfde zwakte als die welke voorafging aan de val zijn Iraakse tegenhanger. Als het ten slotte onder algehele chaos bezwijkt, zullen velen proberen zich af te scheiden, en zich aan te sluiten bij hun broeders in noordelijk Irak. Syrië telt maar heel weinig shi'ieten, maar als de sektarische identiteit het organisatorisch beginsel van de Arabische politieke eenheden zou worden, dan is Syrië kwetsbaar, want het land wordt in feite al veertig jaar bestuurd door een kleine religieuze minderheid, de alawieten. In een overheersend sunnitische samenleving is dat alawitische bewind historisch gezien een nog grotere anomalie dan het sunnitische minderheidsbewind was in Irak.

Een sunnitische restauratie in Syrië zou al helemaal onstuitbaar worden als de steeds machtelozer Iraakse sunnieten zich tot Syrië zouden wenden - waar, als Sykes-Picot er niet was geweest, velen van hen toch al sinds lang ingezeten zouden zijn geweest.

De regio die daarna het kwetsbaarst is, is de Perzische Golf, waar shi'itische minderheden - of meerderheden, zoals in Bahrein - sinds lang in wisselende mate worden gediscrimineerd door een gevestigde orde van sunnieten. Een burgeroorlog in die streek zou de shi'ieten van de Golf - al geprikkeld door de spectaculaire emancipatie van hun geloofsgenoten in Irak - alleen maar aansporen om met des te meer vuur hun eisen te stellen.

Niet minder groot is de verontrusting in Jordanië, dat noch een Koerdische noch een shi'itische minderheid heeft. Koning Abdullah van Jordanië heeft als eerste Arabische leider openlijk gezinspeeld op een door Iran gesteunde “shi'itische halve maan', waarmee hij feitelijk de shi'ieten, waar dan ook, bestempelde tot een soort “vijfde colonne' die de traditionele sunnitische machtspositie in de Arabische wereld ondergraaft. Jordanese politici spreken zelfs van het opwerpen van een “sunnitische muur' door Irak om het gevaar uit het Oosten een halt toe te roepen. Omdat Jordanië zo klein is, omdat zijn trouw aan de Verenigde Staten en aan het vredesverdrag met Israël zo impopulair zijn en omdat zijn betrekkelijk milde dictatuur tot op zekere hoogte op discriminatie berust - ten gunste van een conservatieve, tribaal gezinde trans-Jordaanse minderheid tegenover een meer geavanceerde en dynamische Palestijnse meerderheid - is dat land bijzonder gevoelig voor politieke beroering in buurlanden.

De “libanisering' van de Arabische wereld zou uiteraard het vreselijkst zijn voor de bewoners van die regio, maar ze zou ook kwalijk zijn voor de VS, die haar met hun inval hebben ontketend, en voor Israël, hun protegé in de regio, die deze inval heeft gesteund. Wie kan zeggen wat er nog zal oprijzen uit de puinhopen van hun grootse plannen om de hele regio in hun voordeel te “hervormen'?

David Hirst is voormalig Midden- Oostencorrespondent voor de Guardian. Hij schreef o.a. “The Gun and the Olive Branch: The Roots of Violence in the Middle East'. © LA Times/ Washington Post.

    • David Hirst