Dichteres Esther Jansma humt “tuh-tuh-tuh-tuh'

Dichters zien en horen voegt wat toe aan het lezen van hun werk. “Ik schrap een woord omdat het er niet hoort te staan.“

Heeft het eigenlijk zin: zo'n dichtersavond waarop vijf dichters voorlezen en kort worden geïnterviewd? Leren de bezoekers de dichters kennen? Op een van de eerste warme avonden van het jaar traden gisteren de vijf genomineerden voor de belangrijke VSB Poëzieprijs 2006 op in De Rode Hoed, en het antwoord op de vragen moet een voorzichtig ja zijn. Hoe kom je er anders achter dat Esther Jansma “tuh-tuh-tuh-tuh“ humt als ze een gedicht uitzoekt en met haar been zwaait als ze voorleest?

Daarmee verried Jansma dat ze haar energie niet kwijt kon, een energie die ook niet meteen uit haar bewerende en licht-filosofische werk spreekt. Haar onvermoede dadendrang sprak ook uit het interviewtje, waarin ze de metafoor van de muur in een van haar gedichten opblies tot álle muren: die van Hadrianus (die de Romein bouwde als afscheiding van de barbaarse wereld) tot en met de muur van Berlijn, Israël, ons asielbeleid en die in onszelf.

Jansma is net als Mark Boog voor poëzielezers geen onbekende. Dat geldt in veel mindere mate voor de drie andere genomineerden, Martin Reints en de Vlamingen Roland Jooris en Peter Ghyssaert (spreek uit als Giesaart, leerden we). Reints, de man van de de zijwegen in zijn poëzie, bleek een enthousiast vragenbeantwoorder, almaar uitweidend en nieuwe vragen opwerpend voor zichzelf. Onverwacht, en misschien onbedoeld grappig was zijn toelichting bij zijn gedicht Vlieg, met de regels: “til ik mijn glas op, dan vliegt hij weg/ zet ik mijn glas neer dan komt hij weer terug.' “Het is bekend dat vliegen dat doen, maar ik voelde toch een band.“

Ook de bijna zeventigjarige Jooris viel samen met wat hij maakt. De man van de dunne, uitgebeten gedichten, gaf korte, stugge antwoorden. Vooral omdat de vragen gingen over de betekenis van zijn werk en hij taal tastbaar wil maken - hij wil een Giacometti van de taal zijn. Hoe hij dan werkte, woorden schrapte bijvoorbeeld, was de vraag. “Omdat dat woord daar niet hoort te staan.“ En waarom dan niet, drong de interviewer aan. “Omdat ik dat zo voel.“ Een dichter zo te horen praten, maakt de weerbarstigheid van zijn werk toch beter leefbaar.

Verrassend was ook de wending die Peter Ghyssaert nam in de uitleg van zijn mysterieuze gedicht dat begint met: “Zieken scharrelen in het betegelde oog van de orkaan.“ Thema was “het doelloze van zoeken naar identiteit“ - dat hoor je wel vaker. Maar de dichter openbaarde dat het gedicht ook kon, ja moest gelezen worden als een “Nostradamische profetie“. Ghyssaert bleek gefascineerd door diens voorspellende kwatrijnen: “Ze zijn door hun hoogdravendheid belachelijk, maar er gaat ook een serieus te nemen dreiging van uit.“ Nieuwe indrukken, vreemde verklaringen: alle reden na de dichtersavond het werk van de dichters weer ter hand te nemen.

De VSB Poëzieprijs wordt vrijdag uitgereikt. De hele week zijn er activiteiten. Info: www.weekvandepoëzie.nl

    • Ron Rijghard