Curaçaose schrijver Tip Marugg (82) overleden

Zaterdag overleed de Curaçaose schrijver Silvio Alberto Marugg op 82-jarige leeftijd aan een infectieziekte in zijn woning even buiten Willemstad. Dood, drank, dromen en eenzaamheid fungeerden veelvuldig in zijn boeken. In de pers werd de Curaçaoënaar al snel neergezet als een kluizenaar en een dronkaard, maar Maruggs zielstuimelingen zijn peillozer dan die typeringen. “Ik drink“, schreef hij in De morgen loeit weer aan (1988), “en laat mij meevoeren in mijn efemere roes naar een levensfase die onverwelkt was, omdat ik anders genoegen zou moeten nemen met het onwaarschijnlijk rustige en vreedzame bestaan van een frisse grijskop die meent gelukkig te moeten zijn omdat geen grote catastrofen hem teisteren.“

Marugg debuteerde in 1958 met Weekendpelgrimage. Een Curaçaose beat novel over een jongen die zich van bar naar bar sleept, zijn leven overdenkend als blanke op een eiland van zwarten. Negen jaar later verscheen In de straten van Tepalka; opnieuw vol dromen, visioenen en herinneringen, maar zonder de glimp van hoop die zijn eerste roman kenmerkte.

In de jaren zeventig, na zijn pensionering als redacteur en later hoofdredacteur van het Shell-personeelsblad De Passaat, verhuisde Marugg naar het gehucht Pannekoek op het Curaçaose platteland. Daar schreef hij zijn minst montere boek, De morgen loeit weer aan. Marugg werkte er jaren aan en durfde het manuscript niet uit handen te geven. De roman zou nooit zijn uitgegeven, ware het niet dat de bibliothecaris van de Universiteit van de Nederlandse Antillen (UNA) in een onbewaakt moment de geschreven tekst in haar handtas stopte om te laten uittypen.In 1988 werd De morgen loeit weer aan genomineerd voor de AKO-literatuurprijs, maar de prijs ging aan zijn neus voorbij. Drie jaar later publiceerde Marugg zijn laatste werk; het erotisch Papiaments woordenboek Dikshonario Erótiko. Daarna maakte een oogziekte hem het schrijven onmogelijk.

Hoewel Marugg op Curaçao geboren en getogen was, is zijn werk altijd dat van een buitenstaander geweest: als blanke tussen de zwarten, als protestants jongetje op een katholieke school. Als een alert en observerend kind zat hij weggestopt in de plooien van de Curaçaose samenleving. Afschuw van het licht heette zijn dichtbundel uit 1976. Een toepasselijke titel, schreef arts en literator Chris Engels in zijn voorwoord, want geen van de redacteuren van De Stoep had de 21-jarige luitenant ooit gezien toen zijn eerste gedichten in 1945 in het Curaçaose tijdschrift verschenen. “Het gelukte de schrijver dat ongeveer zijn hele leven vol te houden“, aldus Engels. “Niemand verwachtte hem op schrijversbijeenkomsten. Lang en slank was hij de dunste schaduw van het eiland.“

Dat is hij gebleven. Een dunne, diepe schaduw; zo ongeveer het tegenoverstelde van zijn jaargenoot Gerard Reve. “Van het Reve en ik“, zei Marugg in een interview in 1979, “schelen nauwelijks veertig uur van elkaar in geboorte-uur. De Heer moet wel erg toornig zijn geweest in de maand december van dat verschrikkelijke jaar 1923.“

Deze maand, 82 jaar later, is het opnieuw zover. Twee weken na het sterfte-uur van Reve was het de beurt aan Tip Marugg.

    • Miriam Sluis