VS en China blijven tot elkaar veroordeeld

Op zo veel punten hebben China en de VS belang bij elkaar, dat beëindiging van de samenwerking zou uitlopen op een catastrofe, meent Roger Cohen.

In de Koude Oorlog hield de Mutually Assured Destruction (MAD: gegarandeerde wederzijdse vernietiging) - het afschrikwekkende effect van de zekerheid dat bij een totale kernaanval beide partijen ten onder zouden gaan - de gedachten helder en de vrede in stand. Stichtelijk was het niet, maar het werkte heel behoorlijk.

Het equivalent van MAD anno 2006 is de relatie tussen de VS en China, een zo langzamerhand voor beide landen zo cruciaal vlechtwerk van betrekkingen dat als één van de twee een einde zou maken aan de samenwerking, dat misschien niet op gegarandeerde wederzijdse vernietiging zou uitlopen, maar wel op een catastrofe. De twee ideologische tegenpolen zijn op economisch gebied tot elkaar veroordeeld.

Zo valt te begrijpen wat Donald Emmerson, een Azië-deskundige van Stanford University, de 'feitelijke stabiliteit' van de onderlinge betrekkingen noemt, die in de hachelijkste relatie ter wereld vermoedelijk zal blijven bestaan, ondanks de talrijke verschillen tussen de twee landen, en de blunders die zijn begaan tijdens het bezoek van de Chinese president Hu Jintao aan het Witte Huis.

Voorafgaand aan zijn bezoek aan Washington, waar zijn toespraak werd verstoord door een criticus namens de geestelijke Falun Gong-sekte en waar een spreker namens het Witte Huis het presteerde om China's officiële naam te verhaspelen, had Hu aan de westkust gesproken met topondernemers - een volgorde die veel zegt over waar het in de Amerikaans-Chinese betrekkingen eigenlijk om draait.

Het draait hierom: alleen Wal-Mart al heeft in 2004 voor achttien miljard dollar (14,5 miljard euro) aan Chinese artikelen gekocht. Dat de Amerikaanse consument goedkope elektronica, kleren, schoenen en eigenlijk zo'n beetje alles kan blijven kopen, is te danken aan de containers uit China.

Een groot deel van die consumptie-uitgaven wordt gefinancieerd door schulden op creditcards, die in de Verenigde Staten pijlsnel stijgen. Dat de VS zich die schulden nog kunnen veroorloven komt doordat China met zijn ondergewaardeerde yuan hardnekkig Amerikaanse staatsobligaties blijft kopen, en zo de Amerikaanse rente laag houdt.

De grootste kredietconsument was de afgelopen jaren uiteraard de regering van president George W. Bush. Hij weet precies hoe rampzalig het zou zijn als Hu in een opwelling zou besluiten om van Amerikaanse schatkistpapieren over te stappen op stukken in euro's.

'Wie de betrekkingen tussen China en de VS wil begrijpen, hoeft alleen maar te kijken hoezeer Amerika bij China in het krijt staat', aldus Lu Xiaobo, een hoogleraar politicologie aan Columbia University. 'Dwingende economische omstandigheden houden de relatie in het gareel.'

Inmiddels heeft Wal-Mart in China 56 winkels, waar zo'n dertigduizend mensen werken; het is één van de tienduizenden Amerikaanse ondernemingen die worden aangelokt door de reusachtige Chinese markt of door de lage productiekosten aldaar.

Je kunt de Amerikaanse investeringen in China niet los zien van de 'vreedzame opkomst' die de Chinese leiders nastreven en het is niet verwonderlijk dat Hu tijdens zijn bezoek hoog opgaf van wat hij de 'win-win Chinees-Amerikaanse economische samenwerking' noemde. 'Win-win' is uiteraard maar een deel van het verhaal. Je kunt deze samenwerking beter 'onontkoombaar' en 'onlosmakelijk' noemen; de prijs die ervoor wordt betaald omvat onder meer de verhuizing van Amerikaanse productiebanen naar China, de grootscheepse Chinese schending van Amerikaanse patentrechten, het feit dat bedrijven als Google en Yahoo censuur op hun diensten toelaten, en een jaarlijks Amerikaans handelstekort van 200 miljard dollar (160 miljard euro).

De Amerikaanse wetgever dreigt met dodelijke invoerrechten als China zijn leven niet betert, vooral door de yuan meer speelruimte te geven tegenover de dollar. Zo'n stijging zou de verstoring van de handelsbalans enigszins verkleinen door de Amerikaanse import in China goedkoper te maken en de Chinese export naar Amerika duurder.

Te oordelen naar de vorig jaar verijdelde poging van China om het Amerikaanse oliebedrijf Unocal te kopen, zou iedere nieuwe poging om Amerikaanse olie-, metaal- of delfstoffenbedrijven over te nemen vrijwel zeker op fel verzet van het Congres stuiten. Dat verzet is een afspiegeling van de aanhoudende achterdocht en wantrouwen die schuilgaan achter de door de economische realiteit gedicteerde stabiele bilaterale betrekkingen. China mag dan een snelgroeiende kapitalistische economie hebben, het is nog altijd een communistisch land.

De Verenigde Staten zullen onder Bush - en vrijwel zeker onder iedere andere president - blijven aandringen op verbreiding van de democratie en de vrijheid. De kritische geluiden van de Falun Gong en de oproep van Bush aan Hu om het Chinese volk 'vrijuit' te laten spreken waren een welkome herinnering aan die verschillen van opvatting. Er zullen er meer komen, bijvoorbeeld over de wedijver om olie en andere hulpbronnen, over de beste manier om Noord-Korea zijn atoomwapenprogramma uit het hoofd te praten en over de mensenrechten.

Al deze mogelijke bronnen van onenigheid zouden kunnen worden verhevigd door binnenlandse instabiliteit in China. De beroering op het Chinese platteland en de door de krachten van de markt in een samenleving met groeiende ongelijkheid opgedreven onvrede zijn slechts twee uitingen van de onzekerheden aan de Chinese horizon, die voorspellingen riskant maken.

Toch denk ik dat de MAD-regel de samenwerking tussen de Verenigde Staten en China gaande zal houden als gevolg van het mechanisme van een wereldwijde economie in ontwikkeling, die heeft geleid tot een unieke symbiose tussen deze twee landen.

©The New York Times Newsservice

Roger Cohen is columnist van The New York Times.

    • Roger Cohen