Conceptueel misverstand

Waarom gaan volkeren die vreemd zijn voor elkaar, zich ineens met elkaar bemoeien? De vraag werd al door Joseph Conrad gesteld en hij is met de huidige globalisering, de komst van illegalen, de wereldwijde terreur en de bezetting van Irak nog even relevant. Waarom blijven mensen niet gewoon op hun stek, bij hun eigen soort? Dat is toch veel makkelijker dan het ondernemen van gevaarlijke reizen en de confrontatie met rare mensen met rare gewoonten?

Toch doen ze het. Mensen zijn de enige biologische soort die aan hun eigen habitat niet genoeg hebben. Je ziet ijsberen nooit naar de tropen gaan om te kijken wat daar te halen valt. Mensen zijn duidelijk geen ijsberen.

Waarom gaan volkeren elkaar lastig vallen, uit winstbejag? Om de eigen levenswijze uit te dragen, zeg maar, een beschavingsmissie? Uit nieuwsgierigheid, de behoefte om onbekende culturen te bestuderen? Of uit de kunstzinnige betovering door het vreemde, de bewondering voor het nieuwe landschap. Of gewoon uit hooghartigheid, vanwege de eigen militaire superioriteit?

Daar gaat The New World van Terrence Malick over. De film zit barstensvol gedachten; Bianca Stigter heeft er in het Cultureel Supplement van 21 april één aspect uitgelicht, de eerste ontmoeting ofwel het eerste contact, en dan blijven nog 999 aspecten over.

Het verhaal van 'The New World' is eenvoudig. Een groep kolonisten onder leiding van kapitein John Smith komt in 1607 in Amerika aan, met het doel een nederzetting te stichten. John Smith raakt verliefd op een indianenmeisje, als in de mythe van Pocahontas, maar kan een oorlog met de indianen niet voorkomen. De indianen worden verdreven en de kolonisatie is begonnen. Einde verhaal.

Toch laat Malick niets heel van onze voorstelling van hoe het geweest kon zijn in de zeventiende eeuw. Het was noch romantisch, noch sadistisch. Malick stelt zich volkomen amoreel op, al keert hij een boel dingen om. Zo begint zijn film niet vanuit het perspectief van de kolonisten, die met hun schepen de nieuwe wereld naderen, maar vanuit de blik van de indianen die de zeilschepen gadeslaan. Kijk eens wie hier wie 'ontdekt'.

Dan draait de camera en razen we over rivieren en bossen en vlakten van een landschap waarvan de kijker alleen kan zeggen: ja het is waar, dit is het paradijs. Maar hoe paradijselijker de nieuwe wereld lijkt, hoe meer de kijker beseft dat hij kijkt door het oog van de kolonist.

Het paradijs, ja, dat is fantasie. De werkelijkheid daarentegen bestaat uit de rauwe, onverzorgde, stuk voor stuk lelijke en achterlijk uitziende kolonisten. Behalve John Smith, die is mooi, al kijkt hij alsof zijn moeder net is overleden, maar hij wordt in alle zwijgzaamheid opgenomen in het paradijs.

Dit is ook weer een geniale vondst van Malick: het is voor ons al te makkelijk om ons te identificeren met de bezetters, omdat ze Engels spreken en wij hen verstaan. Maar hij maakt de film vrijwel woordeloos, hij verbiedt elke simpele identificatie en maakt beide partijen daardoor even onbegrijpelijk. Onbegrijpelijk als in een droom met alleen maar beelden.

Wat ziet Smith in zijn droomtoestand? Een rokerig dorp waarin mensen voedsel verbouwen, kinderen spelen, mannen met hun pijl en boog oefenen. Het paradijs is tamelijk gewoon.

Maar het is Smith die de indianen bestudeert en niet omgekeerd. Nadat de indianen zijn lichaamshaar en kleren hebben betast en besnuffeld, is hun nieuwsgierigheid bevredigd en gaan ze hun dagelijkse gang. Zo komt Smith te weten dat deze mensen geen besef hebben van bezit, hebzucht, bedrog of jaloezie. En het is Smith die aan Pocahontas de Engelse taal leert. Hij noemt de woorden, zij herhaalt ze, maar hij herhaalt nooit haar woorden. Ze leert oog, zon, water. Leugen en bedrog zijn voor later.

Pocahontas heet niet eens zo in de vertelling van Malick, ze blijft naamloos, totdat ze bekeerd wordt, een Europese jurk aangetrokken krijgt en voortaan luistert naar de naam Rebecca. En daarmee is onherroepelijk de wreedheid geslopen in de ontmoeting tussen de volkeren: als je iemand beschaaft, was die voordien onbeschaafd.

Maar Malick hoedt zich voor een oordeel over de kolonisten: ze zijn weliswaar lelijk, ziekelijk en kwetsbaar, maar in beginsel rechtschapen, eerzaam, godvrezend, en bovenal: vreedzaam. Dat is een heel bijzondere kijk op de koloniale geschiedenis. Terwijl Joseph Conrad de Europeanen nog een beetje schuld gaf, in de gedaante van kapitein Kurtz ('the horror, the horror'), is kapitein John Smith de vleesgeworden naïviteit. Hij wil helemaal niet moorden en brandstichten, volgens hem kan je andermans wereld bezetten zonder wreedheid en exces, volgens hem zal de ander je goede bedoelingen wel begrijpen.

Het gaat mis. Als een indiaan achteloos een bijltje van een Europeaan meeneemt, omdat hij het concept van eigendom toch niet kent, schiet de Europeaan hem even achteloos neer. Dat is wat Malick bedoelt met de clash of civilisations: het komt door één groot misverstand. Een conceptueel misverstand.

Pas als de indianen te weten komen dat de Europeanen helemaal niet van plan zijn op termijn weg te gaan, begint de openlijke oorlog. Niet omdat ze het land als hun eigendom beschouwen, maar omdat de Europeanen te nabij komen. De hopeloze strijd ziet er bijna artistiek uit, alsof het niet om lichamen gaat, maar om denkbeelden. De dans van de botsing der beschavingen.

Zo ziet Malick de geschiedenis van de kolonisatie en wat toen gold, geldt nog steeds, al noemen we het globalisering: er zat geen kwade opzet achter. Het ging helemaal per ongeluk, je zou bijna zeggen: 'sorry jongens, we hebben elkaar even niet goed begrepen'.

ramdas@nrc.nl