China: ónze politiestaat

China is het land van de belofte. We schrijven 1988. China is een politiestaat. We schrijven 1989. China is het land van de belofte. We schrijven 1996. China is een politiestaat. We schrijven 1998. China is het land van de belofte. We schrijven 2001. China is een politiestaat. We schrijven 2006. China is het land van de belofte. We schrijven 2006.

We kunnen het al jaren maar niet eens worden over China. Terwijl het antwoord toch zo eenvoudig is. China is beiden: het land van de belofte én een politiestaat. Daar hebben we het soms moeilijk mee. We willen allemaal meegenieten van het economisch wonder en verzwijgen dan liever het feit dat China een dictatuur is. Dan schrijven we dat China 'de supermacht van straks' is waar we rekening mee moeten houden, terwijl we dat al jaren doen. De wereld, met de Verenigde Staten voorop, is niet veroordeeld tot China, we hebben er zelf voor gekozen. Onze politieke agenda wordt gestuurd door puur opportunisme.

We noemen China een kans: voor ons om er goedkoop te produceren, opdat we goedkoop kunnen consumeren. We noemen China een gevaar: voor ons wanneer China goedkoop komt afzetten, om ons vervolgens weg te concurreren. We spreken soms de verwachting uit dat China door ons ondernemerschap zal democratiseren, om dan opgeschrikt te worden door een nieuwe stuiptrekking van de dictatuur. Dan spreken we er even schande van: het geweten is weer geschoond. En vervolgens staan we net als de Chinezen, die op gezette tijden stenen gooien naar de ambassades van de Verenigde Staten of Japan, weer in de rij voor een visum of een contract. We lachen om de hypocrisie van het Chinese communisme dat zich heeft vergaloppeerd aan het onbezonnen kapitalisme, zonder stil te staan bij onze eigen hypocrisie - die van de westerse democratie, blind geworden van de expansiedrift.

China, het land van de belofte én een politiestaat, is de nieuwe internationale norm geworden. Wij maken er slechts schaamteloos gebruik van.

Oud-correspondent in China en (beginnend) filmmaker