Zwanen, engelen, kobaltblauw - in een verhaal zijn ze allemaal dragers van de waarheid

De waarheid van literatuur en de waarheid van religie lijken op elkaar. Het zijn verhalende waarheden, waarin toeval tot een zinrijke samenhang wordt, verbeelding werelden schept en verrukking een instrument is om de chaos bewoonbaar te maken.

Een bijdrage aan het gesprek over waarheid dat in deze maand van de filosofie wordt gevoerd.

Iedereen maakt wel eens iets mee dat hij of zij graag vertelt omdat het zo toevallig is. Dat iemand plotseling tóch nog beter werd. Dat er nét toen je het goede nieuws hoorde een merel begon te zingen. Dat het al de hele dag regende, maar precies tijdens de begrafenis scheen de zon. Mini-incidenten die in iemands leven iets betekenen, maar die als verhalen helaas niet zo sterk zijn. En als iemand op grond van een dergelijk zwak verhaal wil aantonen dat iets 'meer dan toeval' is, vindt hij weinig gehoor. Wil het iets worden met het gevoel van samenhang en betekenis, dan moet er een echt goed verhaal verteld worden.

Heel kort en treffend heeft Vladimir Nabokov het toevalseffect van verhalen ooit laten zien in zijn roman Laughter in the Dark. De hoofdpersoon Rex vertelt aan de vrouw die hem in het ongeluk zal storten, het volgende verhaal: 'Een zekere heer', zei Rex terwijl hij met Margot de hoek omsloeg, 'verloor eens een diamanten manchetknoop in de wijde blauwe zee, en twintig jaar later, op precies dezelfde dag, een vrije kennelijk, at hij een grote vis - maar er zat geen diamant in. Dat vind ik zo aardig aan toevalligheden'. '

Alles is hier in orde, de onmogelijkheid van het terugvinden van de ring uit die enorme zee, de vis uit diezelfde zee en het tijdstip, precies twintig jaar later. Hoe toevallig zou het zijn geweest als die ring wel in die vis zat, hoewel toevallig zwak uitgedrukt is. Het opmerkelijke is de opgewekte conclusie van de man die dit verhaal vertelt: 'Dat vind ik zo aardig aan toevalligheden.' Wat? Er gebeurt hoegenaamd niets, maar de toehoorder is klaar voor een kras staaltje van onmogelijkheid, een regelrecht wonder. Het is het verhaal dat het toeval mogelijk maakt, en hetzelfde verhaal maakt het uitblijven ervan tot een verrassing.

Wat is de werkelijkheid zonder dat wij haar onder woorden brengen, ordenen, laten zien, interpreteren, herschikken, voorspellen, afkeuren enz. Er is helemaal geen manier om het over de werkelijkheid te hebben zonder verhalen - of we er nu bij zeggen dat ze waar gebeurd zijn en heus echt, maakt eigenlijk helemaal niet zoveel uit. Hoe we iets zien, in wat voor verhaal iets past, dat is waar het om gaat.

De Poolse dichter en schrijver Zbigniew Herbert schreef ooit een verhaal dat hij zelf apocrief noemde, over een teruggevonden brief van de schilder Johannes Vermeer aan zijn vriend de wetenschapper Anthonie van Leeuwenhoek.

'Een paar dagen geleden liet u mij onder uw nieuwe microscoop een druppel water zien', schrijft Vermeer. 'Ik dacht altijd dat het zo zuiver als glas was, terwijl er in werkelijkheid wonderlijke creaturen in ronddwarrelen, als in Bosch' doorzichtige hel. Gedurende deze demonstratie sloeg u mijn ontzetting gade, en ik meen met voldoening. Tussen ons heerste stilte. Toen zei u heel langzaam en weloverwogen: 'Dát is water, mijn beste, dát en niet anders'. '

Vermeer schrijft dat hij heel goed begrijpt wat Van Leeuwenhoek bedoelde, namelijk dat kunstenaars niet het ware vastleggen, maar de bedrieglijke verschijningsvormen, waardoor ze kunnen geloven in heldere waterdruppels en geen idee hebben wat de waarheid is. 'Wij zijn', schrijft Vermeer, 'ambachtslieden die werken met het materiaal illusie, terwijl u en uw gelijken heer en meester over de waarheid zijn.' Hier is het probleem duidelijk gesteld, het verschil tussen enerzijds werkelijkheid, waarheid, feit, en anderzijds illusie, kunst, verbeelding, schijn.

Vermeer kan zich niet bij deze zienswijze neerleggen. Niet omdat hij de wetenschap veracht of onbelangrijk vindt. Zeker niet. Hij begrijpt heel goed wat Van Leeuwenhoek wil, namelijk de mensen verlichten, hen wegleiden van 'bijgeloof en toeval', heldere, betrouwbare kennis verzamelen. Maar de kunst moet iets anders doen: 'Het is niet onze taak raadselen op te lossen, maar om ons rekenschap van die raadselen te geven, het hoofd ervoor te buigen, en ook om de ogen voor te bereiden op eeuwigdurende verrukking en verwondering. Als u echter absoluut ontdekkingen verlangt, dan zal ik u vertellen dat ik trots ben, erin geslaagd te zijn zowel een bepaald, heel bijzonder intens kobalt te combineren met een lichtgevend, citroenachtig geel, alsook de weerschijn van het zuiderlicht vast te leggen dat door dik glas op een grijze muur valt.'

Vermeer, en zijn schepper Herbert, weten natuurlijk ook wel dat dat ontdekkingen zijn van een totaal andere soort dan die van het bestaan van micro-organismen. Maar ze hechten eraan het belang van die andere ontdekkingen, het soort ontdekkingen dat verwondering en verrukking oproept, te benadrukken. Vermeer legt uit waar het hem om begonnen is:

'Als ik mijn opdracht goed versta, is het de mens te verzoenen met de hem omringende werkelijkheid. Dit is de reden dat ik en mijn gildebroeders een eindeloos aantal malen de lucht en de wolken schilderen, de portretten van mensen en steden, al die bric-à-brac van de kosmos, omdat wij ons alleen dáár veilig en gelukkig voelen.'

Dat kobalt van Vermeer, dat is geen flauwiteit, noch een aardige versiering bij de werkelijk belangrijke dingen van het leven. Dat speciale blauw behoort tot de belangrijkste dingen van het leven, het is een andere wereld, een door artisticiteit geschapen wereld die bij deze hoort maar die deze niet is. Zoals je soms in een spiegel dingen ziet achter je, die ineens veel indrukwekkender zijn dan toen je ze rechtstreeks zag, zoals soms de hemel weerkaatst wordt in een plas water en een glans en een intensiteit krijgt waar je versteld van staat en die de 'echte' onbemiddeld waargenomen hemel niet heeft, niet zó, niet zo intens. Toch is die weerspiegeling geen leugen. Het is intensivering, verheviging, verrukking, verwondering. Dat is ook wat de fictieve Vermeer bedoelt als hij schrijft dat hij en zijn gildebroeders steeds maar weer de lucht en de wolken, de mensen en de steden schilderen - niet omdat we geen flauw idee hebben hoe lucht en wolken, mensen en steden eruitzien, maar omdat we ze nooit écht zien. En ook een schilderij, een verhaal, een melodie zijn niet de definitieve uitdrukking van iets in de werkelijkheid. Ze zijn extra werkelijkheden, verbonden met die grote vormeloze, en daaraan vorm gevend. Ze zijn noodzakelijk, maar niet definitief. Er kan geen einde komen aan het scheppen, omdat alles steeds in beweging is. Ligt het vast, dan wijkt het leven eruit.

Ook in de religie gaat het zo - er is geen definitief verhaal. Wie zegt van wel, vergist zich. Een van de mooiere dingen aan mythologische verhalen is nu juist dat ze geen einde nemen, dat alles ook altijd anders verteld kan worden. In de Indiase mythologie is dat het meest aan de hand, daar bestaan van elke verhaal duizenden varianten, goden wisselen van namen als een mens van sokken, de scheppingsverhalen alleen al zijn onoverzienbaar. In de Griekse mythen gaat het er iets minder hevig aan toe, maar niet veel minder. Helden en heldinnen zijn tegelijkertijd zowel van goddelijke als van menselijke komaf - neem Helena, dochter van de mooie Leda en koning Tyndareos, maar tegelijkertijd dochter van Zeus, door Leda uitgebroed uit een zwanenei. En ook onze eigen mythologie, de joods-christelijke, begint met twee verschillende scheppingsverhalen: in het ene schept God man en vrouw uit de klei en blaast er leven in, in het andere wordt de vrouw gevormd uit een rib van de man. Zo ook is Jezus de zoon van Maria en Jozef en wordt er moeite gedaan de stamboom van Jozef terug te voeren tot het huis van koning David, want uit dat huis zou immers de Messias geboren worden. Tegelijkertijd is Jezus de zoon van God, door Maria ontvangen via de woorden van een engel - nauwelijks minder wonderlijk dan die zwaan die Leda bevruchtte. Wie probeert die inconsequenties weg te poetsen, heeft het niet begrepen. Het gaat hier niet om een verslag van de werkelijkheid zoals Van Leeuwenhoek dat gaf met zijn bewering 'dát is water', dat daar onder de microscoop, maar om een visie op de werkelijkheid zoals die van Vermeer en de zijnen, die duizenden malen opnieuw de hemel en de wolken schilderen, om te maken dat we ons thuis voelen op de rommelzolder van de kosmos.

Is religie dan eigenlijk kunst?

Nee, dat zou een miskenning van de eigen aard van religie zijn. Maar de twee zijn wel verwant.

Religie is misschien meer dan kunst de uitdrukking van een verlangen, voortgekomen uit angst, verdriet, verwarring, verwondering. Religie geeft ons woorden, gebaren, voorstellingen die we te hulp kunnen roepen juist als we niet meer weten wat we moeten zeggen, doen, denken. Ze houdt onze ogen open voor de schoonheid van de wereld. Ze probeert ons te verzoenen met onze sterfelijkheid. Ze wil ons doen geloven dat er troost is, samenhang, licht aan het einde van donkere tunnels. Ze houdt ons voor dat we niet machteloos zijn, dat we wat kunnen en zelfs moeten doen, of dat nu is op onze knieën naar boven kruipen om een icoon te kussen, of een arme naaste bijstaan.

Religie biedt ons houvast in de vorm van plichten, troost en een moraal. Ze belooft rechtvaardigheid. Ze brengt ons bij elkaar en laat ons samen zingen, bidden, herhalen dat er ontferming mogelijk is en een koninkrijk aanstaande.

Al die dingen doet de kunst niet per se. Als ze het wel doet, is dat per ongeluk. Het ene kunstwerk wel, het andere niet. Kunst gaat veel meer haar eigen gang. Maar de kunst heeft ons wel geleerd hoe met verhalen om te gaan. Erop bedacht te zijn dat we voor de mal worden gehouden, dat in de wereld van het verhaal dingen mogelijk zijn die daarbuiten nu eenmaal tot de onmogelijkheden gerekend moeten worden. De literatuur, de schilderkunst, de film, ze hebben ons geleerd dat ogenschijnlijk onsamenhangende dingen in een betekenisvolle samenhang gebracht kunnen worden ('kunnen' niet 'moeten'), wat niet betekent dat die samenhang ook buiten het kunstwerk, of buiten de samenhang gevende visie bestaat.

In haar boek God, een collage citeert M. Februari een kort tekstje van Imme Dros, dat ik misschien buiten deze context nooit als een mogelijke beschrijving van een religieus gevoel zou hebben herkend. Het gaat zo:

Ik zag je gisteren nog in de tram, alleen je was het niet.

Waarom was ik het niet?

Zag ik.

Ik heb anders wel in de tram gezeten gister.

Dat was een andere tram, dit was lijn zestien.

Ik heb in lijn zestien gezeten!

Ja maar dat was veel later.

Hoe laat dan?

Eh wel half acht.

Ik heb in lijn zestien gezeten om half acht.

Je was het in elk geval niet, je had een heel andere jas aan.

Wat voor andere jas had ik dan aan?

Rood.

Nou, ik had een rooie jas aan, geleend van Poem.

Dus jij zat gister in lijn zestien met een rooie jas aan.

Ja om half acht!

Wat gek, dan heb ik je niet herkend!

Op een of andere manier lijkt deze dialoog op het mini-verhaal van Nabokov over het toeval - er gebeurt iets niet, er zit iets regelrecht onlogisch' in het vertelde, en tegelijkertijd lijkt er iets onthuld te worden. Maar anders dan dat citaat van Nabokov, dat op geen enkele manier anders te vertellen is of op te helderen, kan dit citaat stralend betekenisvol worden in de context van een boek dat een collage van godsbeelden wil zijn. Er is iets gezien, maar het geziene is meteen weer ontkend. En tóch was het waar, maar omdat het ontkend is ook weer niet. Het kan niet ingewikkeld genoeg. Alleen via een omweg, via beelden, suggesties, kunst maak je iets duidelijk over dat waarover nu juist zo ongeveer niets gezegd kan worden, over een mislukte herkenning die er toch was.

Om iets duidelijk te maken, moet er iets verteld worden en daarbij kan een beetje poëzie, enige woordkunst, een opzienbarende toevalligheid of een streek kobaltblauw een doorslaggevend effect sorteren.

Het is niet moeilijk in verhalen te geloven. Helemaal niet. We doen het voortdurend. We hebben ze nodig, hoe hard we ook beweren dat de werkelijkheid ons genoeg is. Er is ook niets mis met iets te vertellen dat bedrieglijk echt is, of onwaarschijnlijk toevallig. Er is pas iets mis, wanneer we niet langer begrijpen dat wat er verteld wordt een eigen werkelijkheid construeert.

'Woorden als Hel, Hemel, Verlossing, Eeuwig Leven, Satan etc. geven ervaringen van het menselijk hart weer: het zijn waarheden van het menselijk gevoelsleven, maar geen tastbare feiten', schreef Gerard Reve eens in een brief. 'Al deze begrippen zijn hulpmiddelen voor ons religieuze denken & zijn dikwijls ook boosaardige wapens van de fanatici geweest.'

Hij had, zoals zo vaak als het om kunst en/of religie ging, gelijk. We hebben geen andere manier om ons echt uit te spreken over wat er in ons leeft dan door kunst, rituelen, verhalen - bijvoorbeeld over vissen die geen diamant hebben ingeslikt, ook al was het precies twintig jaar later.

Dichter en redacteur van NRC Handelsblad

    • Marjoleine de Vos