Zelfs twijfelende papa's zijn meestal toch de echte vader

Mannen die zoveel twijfels hebben over hun vaderschap dat ze het DNA van zichzelf en hun kind laten testen in een laboratorium, zijn in ongeveer zeventig procent van de gevallen tóch de vader, zo blijkt uit een inventarisatie van 67 onderzoeken uit allerlei landen. Verspreid over de wereld variëren deze percentages wel flink: uit Zweeds onderzoek komen de meeste onechte vaders.

Per-Anders Radencrantz with his youngest daughter, one and half-year Rebecca, look at their Christmas tree (in Swedish-Jul gran) in the family's home in Stockholm 14 December 2003. Ten days before the Christmas Eve, it's time to prepare the tree that will lighten the home during the dark and cold December month. AFP PHOTO/SVEN NACKSTRAND AFP

Een antropoloog van de universiteit van Oklahoma heeft de grootste wereldwijde verzameling ooit bijeengebracht van onderzoeken naar het (niet-)vaderschapsgevoel uit de afgelopen halve eeuw (Current Anthropology, juni 2006).

Antropologen zijn erg geïnteresseerd in het vaderschap, vanwege het evolutionaire denkbeeld dat mannen minder vaderliefde besteden aan kinderen die ze zeer waarschijnlijk niet zelf hebben verwekt. Betrouwbare cijfers over vaderschap ontbreken echter dikwijls. Zo waart al lang het idee rond dat tien procent van de vaders niet de biologische vader is, maar waar dat ooit vandaan is gekomen kon de Amerikaanse antropoloog niet terugvinden.

Overigens heeft hij dat algemene percentage niet onderzocht: het ging hem vooral om groepen mannen die óf heel zeker waren over hun vaderschap, óf heel onzeker. In het eerste geval bestudeerde hij cijfers van genetisch onderzoek bij getrouwde paren en moeder/vader/kind-trio's. De tweede categorie cijfers kwam van laboratoria die vaderschap testen.

Mannen die zeker zijn van hun vaderschap blijken daarin bijna altijd gelijk te hebben: 1,7 procent zit ernaast. Uitschieters naar boven waren zwarte Amerikanen in Michigan (10,1 procent was niet de vader) en in Mexico (11,8 procent). Nederlandse cijfers zijn er niet.

De cijfers van de vaderschapstests uit laboratoria lopen wereldwijd het meest uiteen, van rond 14 tot 17 procent onechte kinderen in Rusland, Groot-Brittannië en Duitsland, tot 34 procent onder New-Yorkse blanken. Bij twee Zweedse onderzoeken was het zelfs 39 procent en 55 procent. Dat laatste is een wat ouder en minder betrouwbaar onderzoek uit 1963, maar er blijkt wel uit dat Zweden vaak terecht twijfelen aan hun vaderschap. Bij naburige Finnen was overigens maar 15 procent niet de vader.

De periode waaruit een onderzoek dateert, is van groot belang voor de betrouwbaarheid. Tests van vóór 1985 zijn gebaseerd op het vergelijken van HLA-antigenen op witte bloedcellen of nog eerder op bloedgroepen. Bij de bloedgroeptest is er een kans van 18 procent dat een man per toeval hetzelfde type bloed heeft als het kind, dus zonder dat hij de vader is. Na 1985 is de DNA-test ingevoerd. Daarmee bereikt men een betrouwbaarheid van 99,99 procent. Honderd procent bewijs voor het vaderschap krijg je dus nooit. Bart Meijer van Putten