Witte boorden

Een in de Verenigde Staten wonende lezer mailde mij: 'In The Economist beveelt 'Charlemagne' de Europese regeringen aan het onderwijs te verbeteren door het meer langs de door u bepleite lijnen in te richten.' U begrijpt, mijn dag kon niet meer stuk. Eindelijk erkenning. In de betreffende aanbeveling hekelt de commentator van The Economist de Europese politiek ten aanzien van de zogenaamde Lissabon-agenda. Deze door de Europese regeringsleiders afgesproken doelstellingen houden in dat Europa zich in 2010 moet hebben ontwikkeld tot de most competitive and dynamic knowledge-based economy. Het instrument om die competitieve excellentie te realiseren is de verhoging van het onderwijsniveau. Finland, zo wordt gezegd, is het enige land van de EU dat op dit terrein inderdaad de spectaculaire vooruitgang heeft geboekt die de regeringsleiders voor de hele Unie voor ogen stond. Als Charlemagne een Finse 'headmistress' vraagt hoe zij daar in zijn geslaagd, luidt het antwoord Teachers, teachers, teachers'. Dat is inderdaad hetzelfde aambeeld als dat waar ik al jaar en dag op hamer. Onderwijsverbetering staat of valt met de kwaliteit en de inzet van leraren. De Nederlandse onderwijswerkelijkheid beantwoordt die vraag sedert het opstellen van de Lissabon-agenda met 'Managers, managers, managers', waarbij de rol van de leraren wordt beperkt tot die van uitvoerder, begeleider of algemeen geschoold jeugdwerker.

Charlemagne signaleert dat de Europese achterstand het gevolg is van ongelijke kansen. Dat leidt hij (of is het een zij?) af uit de verschillen in prestatie op het gebied van rekenen tussen leerlingen binnen een bepaalde school en tussen de leerlingen van verschillende scholen. Het eerste weerspiegelt het prestatievermogen van de leerlingen, het tweede de sociaal-economische achtergrond. Als het onderwijs gelijke kansen bood mocht je in Europa, net als in de Verenigde Staten, veel variatie verwachten binnen de scholen, want leerlingen verschillen, en minder variatie tussen de (in het algemeen sociaal homogene) scholen. Maar in Europa blijkt het tegendeel het geval te zijn.

Die educatieve achterstand in de meeste Europese landen is, aldus nog steeds Charlemagne, het gevolg van het feit dat zij hun onderwijs onvoldoende hebben aangepast aan de postindustriële situatie. Vroeger waren arbeidsorganisaties sterk hiërarchisch georganiseerd. Dit weerspiegelde zich in het onderwijs, waarbij meteen na de basisschool een tweedeling plaatsvond, waarbij het ene deel werd opgeleid voor hogere functies en het andere deel naar het beroepsonderwijs ging. In de meeste Europese landen is, zo niet op papier dan toch zeker in de praktijk, nog steeds sprake van een dergelijke tweedeling. Tot zover Charlemagne.

Wonderlijk nu is dat wij in Nederland die tweedeling, die wij al lang niet meer hadden, enkele jaren geleden opnieuw hebben ingevoerd. Met als gevolg dat kansarmen ook steeds meer het risico lopen kansarm te blijven. Nog wonderlijker is dat die tweedeling, toen de effecten daarvan zichtbaar werden, niet onmiddellijk ongedaan werd gemaakt. Maar het allerwonderlijkst is dat de scholen en hogescholen zelf steeds vaker worden ingericht als ouderwetse, hiërarchisch gestructureerde fabrieken, met bazen en onderbazen die nauwgezet voorschrijven hoe het voetvolk dient te werken. Leraren van wie het dan ook geen probleem is dat ze steeds lager geschoold zijn. Leraren dus als de hedendaagse variant van het witte boorden proletariaat.

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick