Waarheid

Al twee weken staan artikelen over `de waarheid` prominent in de zaterdag-katernen van NRC Handelsblad. Menno Lievers meldt dat filosofen de waarheid in toenemende mate `in de taal zijn gaan zoeken` (W&O 15 april). In discussies onder filosofen worden inzichten uit het moderne wetenschapsonderzoek waarin waarheidsclaims in termen van taalspelen worden geanalyseerd, doorgaans als `relativisme` terzijde geschoven, omdat filosofen nu eenmaal op zoek zijn naar een universeel begrip van waarheid.

Meer recent is echter in het wetenschapsonderzoek en de sociologie ook een nieuw waarheidsbegrip met universele aanspraken naar voren gebracht, nl. in het werk van Niklas Luhmann. In zijn boek `Die Wissenschaft der Gesellschaft` (1990) werkt Luhmann waarheid uit als een symbolisch gegeneraliseerde code van de communicatie. Het concept `symbolisch gegeneraliseerde media van communicatie` nam Luhmann over van de Amerikaanse socioloog Talcott Parsons, maar hij maakte het veel vloeibaarder.

Symbolisch gegeneraliseerde media maken het ons mogelijk de communicatie met ordes van grootte te versnellen en daarom veel meer complexiteit te verwerken. Bijvoorbeeld hoeven we op de markt niet meer te onderhandelen over de prijs van een goed, maar kunnen we gewoon de marktwaarde betalen. Zo ook in de wetenschap: de wetenschap focusseert op specifieke communicatie en kan daarom allerlei communicatie terzijde schuiven als `onwaar`.

Luhmann stelt voor moderniteit te begrijpen als die ontwikkeling van de maatschappij waarin deze codes van de communicatie naast elkaar kunnen opereren zonder boven- of onderschikking. Waarheid kan zich dan sinds de 17de eeuw in de wetenschap uitdifferentiƫren als een andere code van communicatie dan in het geloof. Maar ook andere symbolisch gegeneraliseerde codes, zoals bijv. de vrije markt, kennen hun eigen rationaliteit. Vergelijkbaar met het marktbeginsel wordt waarheid zodoende een universeel beginsel in de communicatie, dat verbijzondert kan worden in bepaalde taalspelen. De sociologie verdringt per consequentie de filosofie in het empirisch onderzoek bij de vraag naar hoe en waarom deze verbijzonderingen en niet andere hebben plaats gevonden.

De filosofie kan nu ook zelf tot onderwerp van sociologisch onderzoek worden gemaakt. Men kan bijvoorbeeld onderzoeken hoe Angelsaksische en continentale elementen uit debatten over waarheid in de Nederlandse discussie worden gebruikt en wat daarin de rol van de institutionele organisatie van de filosofie in Nederland is. Is die anders wanneer wijsbegeerte facultair wordt georganiseerd bij letteren of bij wiskunde? Dat filosofen het onderling niet eens zullen zijn noch eens zullen kunnen worden over een begrip als `waarheid`, is niet zo interessant, want dat ligt voor de hand. Interessant zijn de selectie-mechanismen die de communicatie structureren en de wijze waarop die structuren van de communicatie vernieuwd worden. Die boven-persoonlijke (want gecodificeerde) selectie-mechanismen en hun interacties worden nu beschouwd als de drijvers van wetenschapsontwikkeling. Een radicale vernieuwing kan dan worden geassocieerd met Kuhn`s bekende paradigma-wisselingen, maar doorgaans is de vernieuwing ingewikkeld en een zinvol onderwerp van wetenschapsonderzoek.

De praktische waarde van dit sociologisch of communicatie-wetenschappelijk perspectief is groot. Evaluatie-mechanismen van wetenschap zouden kunnen aanzetten op de ontwikkeling van communicatie-structuren die zich op boven-individueel niveau ontwikkelen meer dan op de vergelijking van institutionele eenheden of individuen.

De eenheden van analyse worden de communicatie-structuren, bijv. de set van wetenschappelijke tijdschriften die relevant is. Men krijgt dan ook oog voor de verschillen in publicatie- en citatiegedrag tussen disciplines en subdisciplines. Het vergelijken van appels uit Wageningen met peren uit Amsterdam wordt dan minder relevant dan het opsporen van verschillen in de symbolisch gegeneraliseerde codes van de communicatie tussen groepen.